|
Preken: Johannes 13, 31 - 33a + 34
- 35
Door Tineke Renkema,
gehouden op 6 mei 2007
Niets valt buiten God
De
woorden van de evangelist Johannes, die wij net hebben gehoord, zijn
de woorden van afscheid van Jezus nadat Judas de nacht is ingegaan.
Een afscheidswoord, een samenvatting van wat Jezus leerde en leefde,
op de drempel van de dood. Een geestelijk testament, jaren na de
dood van Jezus opgeschreven.
We
kunnen luisteren naar deze woorden alsof we erbij zijn, bij deze
laatste maaltijd, waarbij ieder van de aanwezigen voelt: Dit is voor
het laatst. Nu wordt het meest wezenlijke gezegd. Luisteren, zoals
je luistert naar de laatste woorden van iemand die je zo lief en
dierbaar is. Net zoals woorden van het begin kostbaar zijn, omdat
geboorte zoveel verwondering oproept, zo zijn ook deze woorden van
het einde zo kostbaar, omdat daarin iemands ziel spreekt.
Ik
herhaal het eerste deel nog eens:
“Nu
wordt de Mensenzoon verheerlijkt en in Hem wordt God verheerlijkt.
En als God wordt verheerlijkt in Hem, verheerlijkt God ook Hem bij
zichzelf, ja nu gaat Hij Hem verheerlijken.”
Vijf
maal het woord verheerlijking.
Heel
Jezus’ leven, heel zijn ziel in teken van dit woord verheerlijking.
En we moeten het ons eens proberen voor te stellen: Dit klinkt juist
op het meest duistere moment in het leven van Jezus, tussen het
verraad van Judas en de loochening van Petrus en voor hij door
mensenhanden zal worden gedood.
Waarom lezen wij dit evangelie nú? Het lijkt alsof we weer terug in
de tijd gaan, terug naar witte donderdag.
Maar
is het niet zo, dat deze woorden van Jezus door de evangelist
Johannes opgetekend zijn, ná zijn dood? Dat gaande de dagen en de
jaren, levend met de leegte, die hij achterliet, juist deze woorden
van Jezus bij de laatste maaltijd, oplichten.
Wat
moet het een openbaring voor Johannes en de zijnen zijn geweest, een
inslag, dat juist het meest duistere moment in het leven van Jezus,
door Hemzelf werd getekend, door Hem werd geleefd, als uur van
verheerlijking. Juist dit uur van Gods verduistering als beslissend
aanmerken voor Gods aanwezigheid. Gaat dat niet ons begrip te boven?
Juist
dit wordt ons gegeven, doorgegeven en het is het al 2000 jaar van
kracht als geestelijk testament. Een kracht die ons verwondert, ook
wanneer we zien wat een uitstraling de apostelen hadden, zoals we
dat in de Handelingen lazen.
Velen
van ons zijn inmiddels vertrouwd met de woorden van de theoloog
Kuitert: ‘Alles wat over boven wordt gezegd, komt van beneden.’ En
dat is op een bepaalde manier waar, maar toen ik luisterde naar hoe
Jezus met dit woord ‘verheerlijking’ de nacht inging, kwam in mij
op: Alles wat hier beneden is, alles komt van boven, alles is in
God. Dit wordt ons doorgegeven!
Het
is ons gegeven, dat Jezus niets van wat Hem overkwam buiten God
plaatst. Het is ons gegeven dat Jezus alles wat hem overkwam
aanvaardde en hij nergens slachtoffer werd. Alles kan worden
aanvaard! Niets valt buiten God. Is Hij daarom de mens bij uitstek,
mens naar Gods beeld en gelijkenis?
Juist die mogelijkheid van aanvaarding van wat
ons overkomt, dat is léven, zo versta ik. En misschien moet ik daar
dan bij zeggen dat het woord aanvaarding voor mij niet de betekenis
heeft van berusting, je neerleggen bij het kwaad.
Ik
ben me ervan bewust dat aanvaarding een risicovol groot woord is
voor iemand als ik, die geen weet heeft van zo’n allesbeslissende
crisis, zo’n alles beslissend lijden, en toch: zo is het ons
voorgeleefd.
Je
kunt het misschien ook niet willen, maar het is wel een
richtinggevend woord.
Terug
nu naar de woorden van Jezus, zijn afscheidswoorden, zoals ze door
het leven van Johannes en de zijnen zijn heengegaan. Als Jezus zo
zijn leven geeft, dan is er ook een overkant, vraagt het ook om een
antwoord. Het antwoord is: Heb elkander lief. Een oud gebod als
nieuw. Nieuw, terwijl het van oudsher klonk? Nieuw, omdat het niet
als gebod klinkt, maar als een doorgeven van iemand die dit woord
liefde zelf heeft gedragen, omdat Jezus zich met Gods liefde totaal
identificeerde. Wat dat betekent? We kunnen het niet bevatten, maar
iets daarvan: Hij wast ons de voeten, hij houdt met ons maaltijd,
hij is er, zoals God er is. Liefde die nergens zichzelf zoekt.
En
dan: Hij is er niet meer. Hij laat een volkomen leegte achter. Hij
laat het niet meer toe, dat Hij als houvast dient. Dat zei Hij toch?
‘Houd mij niet vast’ en ‘Waar ik naar toe ga, kunnen jullie niet
komen’? Leegte.
Ik
weet niet hoe het voor jullie is, maar als ik in mijn leven kijk,
ben ik eigenlijk bang voor die leegte, voor het niet meer weten,
voor het zijn zonder houvast. Voor ik het weet, heb ik de leegte
opgevuld met weet ik niet wat, met hoe ik moet leven, hoe liefde
eruit moet zien, hoe gemeenschap zou moeten zijn enz.
Maar
de tijd tussen Pasen en Pinksteren is er één van wachten, juist niet
die leegte opvullen.
Wachten met de leerlingen, net zolang tot de leegte, die Jezus
achterliet, een plaats wordt in mij, in jou, waar iets van zijn
bezield zijn in doorkomt. Wachten tot Hij in ons een plaats wordt,
een bron, tot wij worden bewogen, om, hoe gebrekkig dan ook, elkaar
te bewaren in liefde. Om mensen bewogen!
Mogen
we wachten en bidden om die Geest van bewogenheid.
|