|
|
Preken: Johannes 10, 27 - 30
Door Nel van Cuijk, gehouden op 29 april 2007
Is
er iemand die een bemoedigend woord kan spreken?
Is er iemand die een bemoedigend woord kan
spreken, dat is de vraag van de mensen in de synagoge waar Paulus en
Barnabas zijn. En Paulus neemt zijn kans; welbespraakt als hij is,
vertelt hij vrijmoedig van de grote daden Gods. Van schepping tot
uittocht, van Adam tot Mozes, van David tot Jezus. Met als
hoogtepunt dat de God van Jezus hem uit de doden deed opstaan. Ze
hadden hem gezien, zijn leerlingen, of minstens een diepe ervaring
van de levende Heer gehad, zoals Paulus meerdere malen vertelt. Vol
zijn ze van dit ongelofelijke gebeuren dat God Jezus uit de doden
heeft doen opstaan. En ze kunnen niet anders dan frank en vrij
daarover vertellen. En die vrijheid werkt aanstekelijk, de mensen in
de synagoge raken enthousiast, zo enthousiast dat ze Paulus en
Barnabas vragen om volgende week weer terug te komen. En dat doen ze
en – zo vertelt Lucas – de hele stad was uitgelopen, Joden en
Grieken, Godgetrouwen en Godvrezenden, Godzoekers en twijfelaars en
opnieuw vertellen ze over Jezus en over de God van Jezus en dan
ontstaat er jaloezie, lasterpraat, achterdocht, kwaadsprekerij, en
Paulus en Barnabas worden verjaagd uit de stad.
Je
zou straks thuis dat hele hoofdstuk van Handelingen 13 moeten lezen
want het is zo prachtig vind ik, deze evangelisatie en de doorbraak
van het woord naar de heidenen, naar de hele wereld, en dat het
woord van Jesaja tot vervulling komt. Paulus en Barnabas herkennen
zich in dat woord van Jesaja. “Ik heb je aangesteld als een licht
voor de volkeren” en de boodschap moet gaan tot aan de uiteinden van
de aarde. Dat is wat we hier horen.
En het begint altijd klein en ergens heel
concreet, het kan Antiochië zijn of Rome of Bergeijk, de boodschap
begint ergens en gaat vandaar uit de hele wereld over.
“Hoed mijn schapen en wijd mijn lammeren” was de
opdracht aan Petrus vorige week. En vandaag horen we Johannes
vertellen hoe Jezus zelf omging met de mensen, met zijn broeders en
zusters, hoe hij over hen herderde. Er is een gesprek gaande met de
Judeeërs en zij vragen aan Jezus: “Tot wanneer laat u onze ziel in
het onzekere, als jij de gezalfde bent zeg het dan.” Jezus zegt dan:
‘ik heb het al gezegd en kijk naar wat ik doe en gedaan heb en als
je daar geen geloof aan hecht dan kan ik niets voor je doen. Je kunt
gehoor geven, je kunt je ervaring met mij, met in mijn omgeving
zijn, met in mijn gemeenschap, in mijn gezelschap zijn volgen,
aannemen. Dat geeft leven, dat berooft je niet van het leven, dat is
thuis raken bij God, thuis raken in de relatie die er is tussen God
en mij. Noch God noch ik, zegt Jezus, laten mensen verloren lopen,
doelloos en zinloos leven.’
Je
kunt die stem herkennen, je kunt er op afstemmen en er mee instemmen
en zo luisteren dat je, je bestemming vindt. Dat is mogelijk, maar
het andere is ook mogelijk. God dwingt niet, Jezus dwingt evenmin.
Het is aan degene die luistert, gehoor geeft, ziet wat er gebeurt en
dan de keuze maakt om de relatie met Jezus, het
vaderschap/moederschap van God aan te nemen.
Want
dat is wat – denk ik – Jezus ons, de mensen van zijn tijd aanbiedt:
een nieuwe verhouding tot God, en bij Johannes impliceert dat altijd
een nieuwe verhouding van mensen onderling. ‘Heb elkander lief’ zal
hij tot uit den treuren zeggen. Dit aanbod, deze nieuwe verhouding
tot God, dit zeggen ‘ik en de vader wij zijn één’, roept bij de
Joden op dat zij stenen nemen om hem te stenigen. Dat zet mij wel
aan het denken. Want hoe kun je nu zo boos worden als iemand zegt
‘kies toch voor de liefde, de liefde tot God en de onderlinge
liefde, geloof toch dat je bestemd bent een kind van God te zijn,
een zoon/dochter van God, aan God gelijk, dat is je bestemming’?
Voor
de meeste mensen voelt het beter als God maar op een afstand blijft,
laat hem/haar maar in de hemel en laat ons op aarde maar wat doen
naar onze eigen inzichten. God zo nabij dat hij in een mens tot ons
spreken kan is te dicht op de huid, te bedreigend, dan moet ik iets
en als ik niets wil dan moet ik die mens dus uit de weg gaan, uit de
weg ruimen.
En
altijd opnieuw is dat Pasen, en altijd opnieuw wordt ons verteld
door Pasen dat God zich er niet bij neerlegt dat mensen elkaar uit
de weg ruimen. God kiest voor de mensen die uit de weg geruimd
worden door hen te doen opstaan. Zij zullen niet verloren gaan en
niemand kan hen uit de hand van God wegroven.
|