|
|
Preken: Johannes 6, 60 - 69
Door Tineke Renkema
Geen gesneden beeld maken: zien hoe in
die ander God werkt!
Vandaag sluiten
wij de lezingen uit het 6de hoofdstuk van het evangelie volgens
Johannes af. Het leek me goed om daarom nog samen even terug te gaan
naar wat we de afgelopen weken gehoord hebben om ook iets van de
lezing van vandaag te kunnen begrijpen.
Dit hoofdstuk, waarin Jezus op een beslissende manier laat zien wie
Hij is, begon met het teken van de broodvermenigvuldiging. Jezus
bewogen door mensen, die zijn als schapen zonder herder, mensen
toen, mensen zoals wij hier zitten, ook met ons verdriet, onze
verlatenheid, onze rouw. Mensen, die het brood nodig hebben, om in
de woestijn van het leven, onze diepste vragen over het waarom en
waartoe aan te kunnen. Jezus zag deze honger. Een zien, wat een niet
kunnen aanzien betekent. Een zien, dat niet zonder gevolg blijft,
want Hij nam het brood, dankte en deelde. Voedsel voor mensen toen,
voor ons nu. Liefde voor mensen toen, voor ons nu, om te leven.
De grote vraag was: werd en wordt dit teken
verstaan? Jezus trok zich terug, want ze willen Hem 'hebben', deze
profeet, ze eigenen zich hem toe, zij willen een koning, iemand die
zijn macht inzet. De leerlingen waren zonder Hem aan de oversteek
van het meer begonnen. Het werd nacht, ook bij henzelf. Maar Jezus
laat zijn werk niet varen: Hij komt naar de leerlingen toe over het
meer. Hij baant een weg over de zee, een weg, zoals eertijds door de
Rode Zee, een weg, die naar vrijheid leidt. Hij roept de leerlingen
toe: Ik ben het, wees niet bang! Woorden die rechtstreeks verwijzen
naar God. Woorden die het zegel, het stempel van God dragen. Zo
bereikten zij de overkant! Zo kunnen wij de overkant bereiken: Als
er mensen zijn, die, naar het voorbeeld van Jezus, vandaag gestalte
geven aan het 'Ik ben met je'!
De mensen zijn
naar Jezus op zoek, naar die man van de broden en wanneer zij horen,
dat het gaat om meer dan brood alleen vragen zij Hem: Wat moeten wij
doen? Wat vraagt God dan van ons? Jezus antwoordt : Geloven! Geloven
in mij als Gods gezant.
Dat zien, wie Hij is, gaat niet zomaar. Tussen zien en geloven, dat
Hij het is, de heilige van God, zoals we vandaag Petrus horen
zeggen, is een hele weg. Zien wie Hij is, vraagt loskomen uit
vastgeroeste ideeën, van verwachtingen, een verstarde blik, loskomen
van liefde, die bezitten wil: Is hij niet gewoon de zoon van Jozef?
Geloven vraagt zien met andere ogen, zien dat Hij zelf het brood is.
Brood om van te leven, Zijn vlees om te eten, Zijn bloed om te
drinken? Betekent dat niet zoiets als je Zijn leven, Zijn
levenshouding zo eigen maken, zoals je kinderen je eigen vlees en
bloed zijn?
Er wordt geprotesteerd, gediscussieerd. Er
ontstaat grote ergernis. Ook bij de leerlingen, zo horen wij
vandaag. Woorden van liefde en recht door God gesproken en iemand
die zich daarmee vereenzelvigt en zegt: 'Dit ben ik'. Dit is
ongehoord, daar kan niet naar worden geluisterd. Jezus neemt er geen
woord van terug wanneer het protest klinkt, zelfs niet wanneer de
mensen hem de rug toekeren. Hij heeft geen andere boodschap dan
deze. Hij is zelf die boodschap: God present stellen, God thuis
brengen op deze wereld, hemel en aarde verbindend. Hij vraagt te
geloven, dat Hij deze verbinding is.
Met zijn vraag aan de leerlingen: "Jullie willen
toch ook niet weggaan?", stelt Hij de keuze. Geloof is, zo weet Hij,
allesbehalve vanzelfsprekend, integendeel. Bij Hem blijven of niet.
Zien wie Hij is of niet. Je zijn leven eigen maken of niet. Die
vraag komt nu ook naar ons!
Hoe kunnen we dan
kiezen, geloven, zien?
Wij kunnen ons daarbij laten leiden door, spiegelen aan het antwoord
van de 12 stammen van het volk Israël door Jozua bijeen geroepen.
Het volk dat opgeroepen wordt te kiezen tussen leven met zichtbare
goden of de God, die je niet kunt zien, de onuitsprekelijke God, de
God, die niet opgesloten wil worden in een overtuiging, een
gefixeerd beeld, een God die wij ons niet kunnen toe-eigenen. Jozua
gaat voor: Ik en mijn familie, wij dienen de Heer! En hoe kiest het
volk? Je zou kunnen zeggen: Zij komen ertoe, worden ertoe getrokken,
door zich in herinnering te brengen, dat zij bevrijd zijn uit de
slavernij. De keuze wordt gemaakt, getrokken als zij worden door hun
ervaring met deze onuitsprekelijke God. Deze ervaring leidt tot: Ook
wij willen de Heer dienen, Hij is onze God.
Wij kunnen ons
spiegelen aan het antwoord van Petrus op Jezus vraag aan de twaalf:
'Jullie willen toch ook niet weggaan?' Wordt Petrus antwoord niet
ook ingegeven, wordt hij ook niet getrokken door zijn ervaring met
deze Jezus: Hoe hij door Jezus geroepen is, gezien, in zijn wezen,
gekend: Voortaan zul jij Kefas heten(dat betekent rots) zo staat er
aan het begin van het evangelie van Johannes. Petrus geraakt als hij
is, open gekomen voor het geloof in deze mens, Jezus, als iemand die
God zichtbaar maakt.
Deze ervaring van het volk van Israël van zijn
bevrijding, deze ervaring van Petrus van zijn geroepen en gekend
zijn, zijn geschonken ervaringen, geschonken om niet, gekregen. Het
gaat om een keuze, maar niemand kan naar Mij toekomen tenzij hem dit
door de Vader geschonken is, zo horen we Jezus zeggen.
Zo klinkt het
appel aan ons: Voor de volle verantwoordelijkheid van de keuze
worden wij gesteld, maar deze keuze vindt zijn grond in het
getrokken worden door de Vader. Zo kunnen wij ons laten trekken door
onze eigen misschien kleine ervaringen van bevrijding, van
nabijheid, liefde, ooit in ons leven ons overkomen, als een geschenk
door de Vader ons gegeven.
Zo zijn ons mensen door de eeuwen heen voorgegaan in deze keuze,
trouw te zijn aan hun geschonken ervaring van geroepen, gekend zijn,
zo is Pater Jan ons voorgegaan.
En tot slot: Als wij dan zo getrokken worden door wat ons geschonken
is en wij met het volk zeggen: 'Wij willen de Heer dienen', die
onuitsprekelijke God, niet te pakken niet te grijpen, maar te
ervaren. Als wij met Petrus zeggen : 'Wij geloven vast en zeker dat
u de heilige van God bent', wat betekent dat dan voor ons nu.? Wat
betekent dit voor mij? Zo geloven in Hem, zo geloven in de ander, zo
liefhebben, dat ik de ander blijf zien als ander, zonder hem of haar
op wat voor manier dan ook mij toe te eigenen, hem of haar op te
sluiten in mijn verwachtingen, een vastomlijnd, gesloten, gefixeerd
beeld. Alleen door mij te houden aan het gebod geen gesneden beeld
te maken, juist ook niet van elkaar, maakt dat ik oog kan krijgen
voor hoe in die ander God werkt, God aanwezig is, eerbied voor het
heilige in iemand. Liefde doet een ander helemaal kennen en
tegelijkertijd doet het je uitroepen: En toch weet ik niets van jou.
Zo met elkaar willen leven? Moeilijk ja, uitdagend ja!
|