|
Preken: Johannes 6, 41 - 51
Door Tineke Renkema, gehouden op 13 augustus
2006
Gij geeft ons voedsel steeds weer op tijd
We
vallen deze zondag midden in een gedeelte van wat de broodrede wordt
genoemd.
Twee
weken geleden werden we ingeleid in het begin van dit hoofdstuk: de
broodvermenigvuldiging. Dit gebeuren riep de vraag op: Wie is toch
deze Jezus? Vorige week hoorden we een stem uit de hemel
klinken:’Hij is mijn geliefde Zoon, luister naar hem’. De tekst van
vandaag gaat dieper in op de vraag rond de identiteit van Jezus en
de onderliggende betekenis van het teken van de
broodvermenigvuldiging.
Want
het is duidelijk, er is meer aan de hand dan dat Jezus ingaat op
mensen die honger hebben, een lege maag die vraagt om gevoed te
worden. Jezus gaat weliswaar niet voorbij aan daadwerkelijke honger,
maar heeft juist ook oog voor een diepere laag in de behoefte aan
brood.
Jezus
ziet het grote gevaar dat mensen niet toekomen aan waar het brood
naar verwijst. Hij ziet dat mensen opgesloten kunnen raken in hun
steeds opnieuw terugkerende behoeftes en genoegen nemen met een
leven van brood alleen.
Niet
moeilijk toch om dit in onze tijd te plaatsen?
Het is spannend, want zouden mensen zich laten
aanspreken op die andere laag, die laag van het verlangen die van
doen heeft met een leven dat eeuwigheidswaarde in zich draagt?
Zouden wíj ons laten aanspreken?
Die sprong van behoefte naar verlangen:
Dát is wezenlijk. Waar behóefte altijd gaat om een aanvulling van
het tekort in míjzelf, steeds maar weer, staat het verlangen altijd
open naar die ander en is het, in die zin, ook nooit op die manier
te bevredigen. Het verlangen heeft van doen met een leven vol zin en
betekenis, met gekend worden en kennen.
We
horen in het antwoord van Jezus dat hij ons in contact probeert te
brengen met dat verlangen naar een leven meer dan voor onszelf
alleen, meer dan alleen de zorg voor onze dagelijkse behoeften.
Ik
ben het brood dat uit de hemel is neergedaald, ik ben het brood dat
God geeft, zo horen we hem tegen de menigte zeggen. Geloof in mij
als je een leven zoekt in zijn hoogte en diepte.
De joden, in ieder geval, zo horen wij, kunnen
zich niet aan zijn wóórden, kunnen zich niet aan Hém overgeven: Ze
morren.
Ergeren ze zich eraan dat Jezus zichzelf zo
identificeert met het brood? Dit brood, wat hij is, waar zij niet
buiten zouden kunnen, wil er sprake zijn van écht, duurzaam leven?
Geloven, zo concreet in iemand? Die ander, die voedsel zou zijn voor
hun ziel? Geloven in iemand, gewoon maar één van hen, waarvan ze
precies weten vanwaar hij komt, zoon van Jozef en Maria?
Wie
van ons herkent niet dat soort gemor? Dat vasthouden aan je eigen
blikrichting, dat niet écht gehoor, gezag geven aan iemand, want
hij/zij is toch maar gewoon één van ons?
Jezus
reageert zeer beslist: Stop met dit gemor! M.a.w. open je toch voor
iets anders dan je eigen ideeën en gedachten, voor iemand anders.
En
dan blijkt dat het Jezus niet gaat om zichzelf centraal te stellen:
Dan blijkt het te gaan om die verbondenheid met God: “Niemand komt
naar Mij, zonder dat de Vader hem trekt.”
Ook
bij Elia voelen we die trekkracht van God. Elia heeft al zijn
krachten ingezet met gevaar voor eigen leven. Hij is moedeloos
geworden en vraagt zich wellicht af of niet alles vergeefs is
geweest. Allesbehalve eeuwig durend leven dus. Hij verlangt naar de
dood.
Maar
hij wordt aangeraakt in zijn verlangen en geeft gehoor.
Ook hij eet het brood, dat ook in dít verhaal uit
de hemel is neergedaald. Brood voor onderweg, door de woestijn van
het leven naar de berg van God. Hij zal er God ontmoeten in het
gefluister van een zachte bries.
‘Ik ben het levende brood’ horen we Jezus steeds
opnieuw zeggen. Hij heeft zélf dat brood uit de hemel gegeten. Hij
heeft zélf die trekkracht van God ervaren. Gebeurde dat toen hij de
stem hoorde: ‘Jij bent mijn veel geliefde Zoon’?
En is
het niet zo, dat hij zich met dit woord, dat op hem neerdaalde,
totaal identificeerde als was het voedsel om te eten? Hij heeft dit
woord als zijn roeping op zich genomen. Hij heeft het geleefd en
gedaan. En is dát tot op de dag van vandaag niet van
eeuwigheidswaarde gebleken?
Ja, hij is gewoon zoon van Jozef en Maria, maar
dit laten trekken, dit diepe aanhalen door de Vader heeft hem tot
Zoon en gezondene van God gemaakt.
Wat
betekent voor ons dit woord van Jezus dat ons wordt doorgegeven?
Zegt het ons niet dat wij, al levend, al verlangend, al zoekend, de
stem van God, dit trekken van God gewaar kunnen worden?
Soms
hoor ik bij tijden niets, soms zie ik niets, soms klinken er
allerlei stemmen die mij onzuiver voorkomen, mij verwarren of niet
echt raken. Maar zo nu en dan hoor ik een woord dat op mij
neerdaalt, een woord dat bij mij lijkt te horen, een woord om te
proeven, een woord om te eten.
Dat
woord kan neerdalen op mij vanuit de Schrift, vanuit het leven van
Jezus, een woord gesproken door die ander, die mij aanspreekt,
roept, een woord in de stilte diep in mijzelf waarvan ik niet weet
waar vandaan het komt. In ieder geval altijd een woord om niet, een
gegeven woord.
Steeds weer word ik op deze wijze gevoed. ‘U geeft ons voedsel
steeds weer op tijd.’
Waar
het nu om gaat is of ik mij durf toevertrouwen aan het voedsel dat
ik krijg, of ik me zo identificeer met dat woord dat om niet op mij
neerdaalt dat ik het leef, dat ik het doe. Ik denk dat ik vaak zo’n
woord ook van een ‘maar …’ voorzie, of zo’n woord relativeer, het te
groot vind of te klein of te moeilijk.
Ik denk dat naar de máte ik dat woord durf te
eten en te doen, ik het brood eet dat Jezus is. Dan leven wij in
eeuwigheid.
Zijn brood eten, daartoe nodigt hij ons uit, ook
vandaag, hij nodigt ons opnieuw uit. En dat is niet Jezus imiteren,
maar deze beweging van ontvangen en opnemen volgen. ‘Ontvangt wie
gij zijt, wordt wat ge ontvangt: Lichaam van Christus, voor deze
wereld.’
Mogen
wij ons zo laten trekken door onze God.
|