Foto: Evangelie volgens Johannes
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Johannes 6, 24 - 35

Door Tineke Renkema

In zijn spoor tot brood zijn voor elkaar!

Vandaag krijgen we de gelegenheid om het verhaal van de broodvermenigvuldiging van vorige week verder te verwerken, verder op zoek te gaan naar de mogelijke betekenis ervan.
De lezing uit het Johannes-evangelie noemt men ook wel de broodrede. Een rede is het eigenlijk niet, want Jezus wordt steeds onderbroken door reacties van de menigte. Je zou kunnen zeggen dat het eigenlijk een soort leerhuis is, een leerhuis waar wij a.h.w. ook in mee kunnen doen door te luisteren, te zoeken naar betekenis, door onze vragen in te brengen.
In dit evangelie wordt ook verwezen naar de tekst uit Exodus, waarvan we ook vandaag een gedeelte hebben gelezen: "Brood uit de hemel heeft hij hen te eten gegeven". Het springt vandaag van het manna in de woestijn: Brood uit de hemel om in de woestijn te kunnen bestaan, via de broodvermenigvuldiging: Brood van ontferming van Jezus die bewogen is door de menigte, die hij ziet als schapen zonder herder, naar het Levensbrood: Ik ben het brood.

Allereerst het manna: Het volk is amper een paar weken op weg uit het land van de slavernij of het krijgt honger en vraagt om brood. Brood om van te leven. Het is de woestijn, waar het volk in aanraking komt met zijn honger, want het leven is onzeker, er is geen garantie voor de dag van morgen. Ze zijn weliswaar bevrijd uit de slavernij, maar daarmee gaat ook een houvast verloren, een invulling van het dagelijks leven, een weten wat vandaag te moeten doen. In deze leegte, dit niet weten, is er ook de verleiding terug te willen gaan naar de oude, weliswaar zeer pijnlijke, maar wel vertrouwde gang van zaken, waar je tenminste zekerheid, houvast heb, waar je weet wat je te doen staat. Waar je weliswaar niet echt leeft, maar wel overleeft.

De vraag naar brood is meer dan alleen een vraag naar vulling van de maag. De vraag naar brood kan wellicht ook op een andere laag worden verstaan als vraag naar de zin van het ontwortelde en op zichzelf teruggeworpen bestaan. We herkennen het: Bevrijd uit de slavernij, een situatie die geen ruimte laat voor eigen leven, bevrijd uit onze pijnlijke geschiedenis, onze afhankelijk makende relaties, bevrijd van onze verslavende gewoontes, komen we in de woestijn, waar onontkoombaar de vraag opkomt, waartoe ben ik hier op aarde. Bevrijd van roept de vraag op bevrijd waartoe. Waartoe zijn wij hier op aarde? Wat moeten wij hier, in deze onzekerheid, deze zandvlakte, met ons heden, verleden en onze toekomst.
In de woestijn komen de fundamentele levensvragen op en het manna, als teken uit de hemel, wordt ons gegeven, omdat we het, behalve als lichamelijke noodzaak, het ook nodig hebben om deze woestijnvragen aan te kunnen. Brood, om de roep van de woestijn, waartoe zijn wij hier op aarde, niet verloren te laten gaan. "Manna voor een dag om te kunnen vaststellen of het volk mijn leiding wil volgen of niet" en een paar verzen later "Manna om te weten dat ik de Heer uw God ben", zo staat er in Exodus. Ik ben de Heer uw God ik ben, zongen wij aan het begin van de dienst. In de rabbijnse traditie, zo las ik, is brood het vaste symbool voor Thora. In de woestijn wordt ons door God brood, Thora gegeven: Woorden die laten zien hoe mensen kunnen leven met elkaar, woorden die richting geven aan het verlangen dat de woestijn zou kunnen bloeien als een roos.

Van manna naar het Levensbrood: Ook in het evangelie van Johannes zijn mensen op zoek naar brood, naar Jezus, die hun het brood heeft gegeven, brood in overvloed, brood dat hun honger heeft gestild. Jezus had echter oog voor meer dan de lichamelijke honger van mensen, oog voor hun zoeken naar richting, hun vraag naar het waartoe wij zijn bevrijd, oog voor onze bestaansvragen. Brood van ontferming voor een volk zonder herder. Hebben mensen dat verstaan, begrepen? Zouden mensen zijn herder zijn aanvaarden? Zouden zij inzien, dat zij aan hemzelf de richting van leven kunnen aflezen? Jezus ziet het grote gevaar dat de mensen die hem zoeken opgesloten dreigen te raken in het bevredigen van hun behoeftes, in het leven van brood alleen. Mensen, die verloren dreigen te raken in het 'hebben', het 'bezitten', het veilig stellen, verzekeren van hun leven'. Mensen, toen, mensen nu, zoals wij hier zitten, dreigen niet toe te komen aan waar het brood naar verwijst.
We horen in het antwoord van Jezus dat hij ons in kontakt probeert te brengen met een andere honger, een verlangen naar duurzaam leven, leven met eeuwigheids waarde, leven voor meer dan jezelf alleen, de behoefte voorbij, zonder deze overigens te ontkennen.

Wat moeten wij dan doen, zo klinkt de vraag uit de menigte, zo vragen wij, om zinvolheid te kunnen ervaren, om niet opgesloten te raken in onze behoeftes en ons verlangen open te houden? Wat vraagt God dan van ons, van mij?
Jezus antwoordt : Dit werk vraagt God van u: dat u gelooft in hem die hij gezonden heeft. Wat door ons moet worden gedaan is geloven! Geloven in Jezus, als Gods gezant. Wat is dat geloven? Geloven is Jezus zien als iemand die antwoord is op Gods vraag naar de mens. Geloven is deze mens zien als een mens die ruimte maakt voor God, ruimte voor Gods verlangen naar liefde en recht, dat verlangen op zich nemend.

Wat kunnen wij doen? We horen het getuigenis van Johannes, wanneer Jezus zegt : Ik ben het brood. Jezus die zich vereenzelvigt met het brood. Het brood is gegeven ooit in de woestijn, brood als teken van God, van Gods verlangen naar liefde en recht, van Gods verlangen naar de mens, die het op zich neemt de tuin van de wereld te beheren. Nu is er deze door God zo verlangde mens, Jezus. Hij is het brood. Johannes getuigt hier dat hij aan Jezus heeft kunnen aflezen vanwaar hij komt en waartoe een mens is bestemd. Hij getuigt dat Jezus als brood voor hem is, antwoord op zijn levenshonger, antwoord op wat het betekent de wil van de Vader te doen.

Wat kunnen wij doen, zo klinkt ons vragen. Ruimte maken voor God is in het spoor van Johannes aan Jezus aflezen waartoe wij bestaan. Wat we aan Jezus kunnen aflezen dat ruimte maken voor God allereerst ook betekent ruimte te maken voor die ander die naast je is. Betekent het ook niet dat wij in het spoor van Johannes de moed hebben tegen een ander te zeggen als afspiegeling: Jij hebt mij leven gegeven, jij bent voor mij als brood en in die ander zo het werk van God te bespeuren.
Zou het niet geloof wakker maken, als ik iemand direct aanspreek en zeg Jij bent voor mij als brood, in al zijn onvolkomenheid?
Hebben we de moed om in het spoor van Jezus te zeggen met heel ons verlangen, met alle schroom en gebrekkigheid: 'Hier ben ik'. Het 'ik ben', dat hierheen doorklinkt en dat getuigt van een onverdeeld leven, leven uit een stuk, gehoor gevend aan Gods verlangen naar mensen, die kunnen zijn als brood voor elkaar?

Het is nu aan ons om dit geloof wakker te houden. Wij hebben elkaar daarvoor broodnodig. We hebben het broodnodig samen aan tafel te gaan en te horen, neemt, eet!. Eten, helemaal opnemen, geloven wat we kunnen zijn, wat we kunnen worden: Ontvang wie je bent, word wat je ontvangt! Als wij dat eenvoudige gebaar, ons gegeven, maken, opstaan, naar voren komen, onze hand openen, eten, en amen zeggen, zeggen we dan niet dat wij ernaar verlangen te treden in zijn spoor en tot brood willen zijn voor elkaar? Dat het zo zijn mag!