|
Preken: Johannes 6, 1 - 15
Door Nel van Cuijk, gehouden op 30 juli 2006
Jezus wijkt niet voor het onmogelijke
Afgelopen zondag hoorden we bij Marcus hoe er een grote menigte
mensen achter Jezus aanging en hoe Jezus tot in zijn ingewanden
geraakt werd, geroerd, aangegrepen, door deze menigte omdat hij een
beeld zag, een beeld uit het eerste testament, “dat ze waren als
schapen zonder herder”.
En
Jezus ging hun opnieuw vertellen over God. Waar mensen doelloos,
zinloos, leeg, ronddwalen lijkt de schrift te zeggen, daar kun je
maar één ding doen: vertellen over God.
Bij
Marcus volgt nu ook een verhaal van de broodvermenigvuldiging, maar
wij laten de verhaaltrant van Marcus nu los en stappen over naar het
wonderverhaal bij Johannes.
De
menigte heeft hem zien vertrekken naar de andere kant van het meer
en ze zijn achter hem aan gegaan niet omdat ze honger hadden, zegt
Johannes. maar omdat ze tekenen gezien hadden, tekenen die hij aan
zieken gedaan had.
In
Johannes lezen we dat hij een verlamde genezen had op de sabbat en
dat was natuurlijk niet goed volgens de gevestigde orde en Jezus
verwijt deze gevestigde orde dan ook dat ze geen geloof hebben; zij
hebben Mozes niet geloofd en ze geloven Jezus niet. Ze geloven niet
dat hij een van God, door God gezonden mens is.
Deze
menigte krijgt het voordeel van de twijfel, zij geloven niet, nog
niet, maar ze trekken achter Jezus aan. En de menigte krijgt meer
dan voldoende eten, maar gaat het daar om in dit verhaal? Het lijkt
me niet.
Immers Jezus gaat weg met zijn leerlingen en als
hij aan de andere kant gekomen is beklimt hij de berg en pas dan
ziet hij de menigte en vraagt aan Filippus: “Waarvandaan zullen wij
brood halen voor deze grote groep mensen”. Een vraag, zegt Johannes
er bij, om hem op de proef te stellen. Filippus denkt na en komt tot
de conclusie dat daar een flinke som geld voor nodig is, dat geld
hebben ze niet, dus is het onmogelijk om voor deze mensen brood te
kopen. Waarvandaan kun je zoveel brood halen, Filippus had kunnen
antwoorden: ik weet het niet Heer maar u weet het, of als hij Mozes
en de profeten werkelijk had gekend had hij kunnen zeggen: brood uit
de hemel. Immers Jezus heeft het al over Mozes gehad, hij is met
zijn leerlingen de berg op getrokken, het is kort voor Pasen, het
gedenken van de grote Uittocht, allemaal tekenen, signalen,
aanwijzingen dat het hier om een nieuwe interpretatie een
actualisering van de Exodus gaat. Filippus had het kunnen weten, hij
had het kunnen zien, doorzien. Hij heeft weet van het manna, het
brood dat uit de hemel neerdaalde. Hij is echter nog bezig met de
onmogelijkheden van het leven. Dat neem ik hem niet kwalijk, ik vind
het wel een mooie spiegel voor mezelf, hoezeer ik, wij mensen
geneigd zijn te kijken naar de onmogelijkheden die het leven
kenmerken.
En dan komt Andreas met een jochie met vijf
broden en twee visjes aanzetten, een beetje aarzelend, een beetje
twijfelend want hij weet onmiddellijk dat het niets voorstelt dat je
met vijf broden en twee visjes geen 5000 man te eten kunt geven.
Jezus
echter neemt het aan, het weinige wat een leerling aandraagt wordt
door Jezus aangenomen, aangegrepen ook, om er meer dan genoeg van te
maken.
De
menigte ziet het wel zitten met Jezus, ze zien dat hij een profeet
is en dat hebben ze in zekere zin goed gezien. Echter ze grijpen
hem, claimen hem en willen hem tot koning maken, tot iets of iemand
die hun leven veilig zal stellen. Maar en dat is iets wat je nooit
moet doen, je moet van een profeet geen koning maken.
En
waar gaat het nu om, wat zouden de leerlingen kunnen zien, wat
zouden wij kunnen zien?
In de loop van de komende zondagen zal Jezus veel
zeggen over brood, over het brood dat hij zelf is. In deze tekst, in
dit teken liggen de aanzetten. Want de mensen hebben een nood, een
honger naar iets anders dan brood. In onze westerse wereld is dat
meestal ook overduidelijk. Een enkel woord uit deze tekst geeft ons
al enige richting. Er blijft veel brood over en het moet verzameld
worden want er mag niets verloren gaan. Dat is een groot kenmerk van
de Johannëische Jezus. Er mag niemand en niets verloren gaan.
De getallen die genoemd worden geven ons een
aanwijzing. Vijf is het getal van de thora, de vijf boeken van
Mozes, 12 is het getal van de twaalf stammen van Israël. Jezus is
met de nieuwe uittocht bezig en zoals Mozes brood uit de hemel liet
komen zo is ook dit broodwonder het teken van die nieuwe uittocht
die met de boodschap van Jezus begonnen is.
De
vraag die opgeroepen wordt is dan ook: wie is Jezus toch, wie is hij
voor mij en u nu en hier? En geloof me, die vraag was voor degenen
die Jezus met eigen ogen hebben gezien even moeilijk als voor ons
nu.
Ik
kan alleen maar iets zeggen over wie Jezus voor mij is, wat ik
vanuit deze tekst daarover wil zeggen is dit.
Jezus
is voor mij degene die niet wijkt voor het onmogelijke, hij neemt
het kleine beetje aan en brengt het in een dankgebed voor God,
alles, de mensen, het brood, zijn hele leven brengt hij in
verbinding met God. Hij weet zich door God omvat en door God
gedragen. Dat betekent niet dat zijn leven een successtory wordt,
wij weten allen hoe het met hem verder gaat. Maar hij legt zijn hele
leven, het lijden en het sterven in de handen van God. Dat is wat
Jezus mij vandaag te zeggen heeft: leg je hele leven, alles wat ik
en u als onmogelijk ervaren in de handen van God. Want Johannes is
er van overtuigd dat wat God aan en met en voor Jezus heeft gedaan
dat doet Hij voor alle mensen.
En ons samen Eucharistie vieren is iets veel
groters dan wij hier en nu op dit kleine plekje kunnen ervaren. Dit
vieren van ons is en blijft fragmentarisch maar het wordt door God
omvat en door God gedragen.
|