|
|
Preken: Johannes 15, 9 - 17
Door Nel van Cuijk
Niet jullie hebben mij, maar ik heb
jullie liefgehad.
Wat bezielt
Johannes, vanwaar die aandacht voor liefde, voor verbondenheid, voor
in hem blijven, voor de onderlinge liefde. Wat is de Sitz im
Leben, welke levensvragen spelen er in de gemeenten van Johannes
bij dit uitdrukkelijke zeggen dat zij geen dienaars zijn maar
vrienden. Dat zij niet hem of elkaar uitgekozen hebben, maar dat hij
hen uitgekozen heeft. Wat speelt er in een gemeente, in een
gemeenschap van christenen als er zo indringend over liefde,
verbondenheid en je leven geven gesproken wordt.
Dat zijn de vragen die ik me stel bij het lezen van deze tekst. Uit
de brieven van Paulus en anderen en in de eerste lezing van vandaag
horen we dat er spanningen zijn in die eerste gemeenten van
christenen.
Want hoe moet dat met die heidenen, mogen die er ook bij horen, zijn
dat ook kinderen van God. Petrus moet een enorme grens over, in zijn
opvoeding in wat hij heeft meegekregen van de traditie waren
heidenen niet veel beter dan honden, barbaren daar moest je niet bij
in de buurt komen. En nu is daar die heilige Geest die al dat zeker
weten van die oude traditie overhoop haalt, al die vooroordelen
gewoon wegblaast. Wat een geweldige moed van Petrus om dwars tegen
alles in wat hij kende die heilige geest de ruimte te geven.
Ook in de gemeente van Johannes speelde deze vragen. Het blijft
tobben met die heiden christenen, want zijn wij joden christenen
toch niet een beetje meer. Wij hebben Abraham toch tot vader en wij
hebben Mozes toch.
En trouwens wie is Jezus eigenlijk in die grote geschiedenis van
ons, waar is hij nu. We horen Thomas nog zeggen Heer we weten
helemaal niet waar jij naar toegaat, hoe zullen wij de weg kennen,
hoe moet het verder met ons, blijven we of blijven we niet. Wat
bindt ons, wie verbindt ons. En zijn die vragen zoveel anders dan de
vragen die wij hebben. Blijven we geloven in de weg die wij aan het
gaan zijn, onze keuze voor een engagement is dat nog wel zo, ben ik
dat wel, wil ik dat wel zo'n leven wat alles vraagt. Kunnen we daar
op een niet vrijblijvende manier over spreken. Helder maken met
elkaar hoe en wie gemeenschap willen zijn.
Als wij zo in het leven mogen kijken van die eerste gemeenten rond
Christus, als wij in ons eigen leven mogen kijken wat krijgen we dan
voor richting vandaag.
Als eerste horen
we dan besef dat ik jullie heb liefgehad. Ik heb jullie uitgekozen,
jullie hebben niet mij of elkaar uitgekozen, ik heb het initiatief
genomen en jullie uitgekozen. Het is mogelijk althans zo is dat in
mij om precies in deze woorden rust en ruimte te vinden. Die woorden
dat het initiatief bij God ligt betekend een vorm van stabiliteit,
stel je voor dat alles van ons af zou hangen, van die kwetsbare
mensen die zo vaak labiel zijn in hun keuzes en beslissingen. Ik heb
jullie uitgekozen betekend voor mij dat ik me in die ruimte kan
toevertrouwen aan de God van Jezus, dat ik mij kan toevertrouwen aan
jullie omdat niemand van ons dit zelf bedacht heeft. Ik heb de
liefde niet uitgevonden, er wordt van mij gehouden. Die Gods
ervaring dat er van je gehouden wordt, de Godservaring die Jezus
present stelde en hem in staat stelde zijn leven te geven, die
Godservaring maakt, bewerkt dat wij elkaar kunnen liefhebben. De
gemeente gaat ten onder aan de onderlinge spanningen, aan de
onderliggende vragen, tenzij zij en wij ons richten, laten richten
door deze Godservaring, dat hoor ik Johannes zeggen.
En dat wat zware woord van, je leven geven voor je vrienden. Ik las
dat we dat niet opportunistisch moeten verstaan, want wat hebben
jullie aan mij of aan iemand van ons als ik dood ben. Je leven geven
is je hele zelf, in oude woorden, je hele ziel inzetten om de ander
tot leven te laten komen.
En vrienden, de vrienden waar Johannes het over heeft zijn niet een
select gezelschap, een stelletje uitverkorene die in een warme cel
van gelukzaligheid leven. Vrienden in de Bijbel zijn zij die zich
inzetten voor de naaste, de vreemdeling, de armen. Zoals God omziet
naar zijn volk dat gebukt gaat onder geweld en vernedering, wie
omziet naar de ander hij of zij is het die vriend genoemd wordt.
Een bekend chassidisch verhaal zegt het volgende. De meester vraagt
aan zijn leerlingen wanneer eindigt de nacht? Als je van verre een
schaap van een hond kunt onderscheiden zeggen ze, nee zegt de rabbi,
als je een vijgenboom van een wijnstok kunt onderscheiden dan, nee
zegt de rabbi. Nou zeg het dan maar zeggen zijn leerlingen. Het is
dan wanneer je het gelaat van een mens kunt waarnemen en je genoeg
licht hebt om in hem je broeder te herkennen. Dan is de nacht
voorbij.
Wanneer hebben wij genoeg lief; het is dan wanneer ik naar jullie
kijkend dag voor dag weet dat jullie mijn broers en zusters zijn.
Het is dan wanneer ik ten diepste besef, dat jij in het zelfde
schuitje zit als ik, dat jij even kwetsbaar, afhankelijk, machteloos
bent als ik soms ben.
En ik moet jullie bekennen dat ik niet genoeg liefheb want ik kijk
nog vaak met andere ogen, ik zie niet alle dagen dat jullie mijn
broers en zusters zijn. Maar ik geloof wel in de richting die
Johannes ons voorhoudt. Ik ga dus in de leer bij Johannes.
|