Foto: Evangelie volgens Johannes
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Johannes 12, 20 - 33

Door Nel van Cuijk, gehouden op 2 april 2006

 

Je leven tot roeping laten maken

 

Ik luister graag naar de woorden die we vandaag mogen horen van Jeremia, dat God een nieuw verbond zal sluiten, dat hij dat in ons hart zal griffen, en dat jong noch oud elkaar nog hoeven te beleren. Omdat iedereen van jong tot oud weet wat de Heer wil en het ook doet. Geweldig lijkt me dat. Het is een van die teksten die mij vanaf mijn Exodus in 1972 vergezeld hebben.

Later heb ik geleerd me af te vragen tot wie ze worden gezegd en waarom ze worden gezegd. Vlak hiervoor in het 30ste hoofdstuk. van Jeremia staat te lezen dat God een woedende wind zendt, een razende storm en dat zijn brandende toorn niet tot bedaren komt voor hij zijn hele plan ten uitvoer heeft gebracht.

Kunnen wij leven, kunnen wij omgaan met een woedende Jezus, vroeg Tineke in haar preek van enkele weken geleden zich af.

Kunnen wij leven met een God die zijn woedende wind zendt, zijn razende storm? Een woedende wind, een razende storm. Het zijn beelden voor onrecht en onheil, voor verbijstering over het kwaad, over de verkrachting van gerechtigheid, beelden ook voor alles waar wij vragen bij stellen of denken: hoe kan het toch dat God dit gemaakt heeft, dat God dit zo bedoeld heeft?

De eeuwige vraag naar het kwaad en het onheil van de wereld. De vraag waarmee niet alleen wij maar waarmee alle mensen van alle tijden hebben moeten leven en waarop ze antwoorden gezocht hebben.

Als Jeremia die woorden spreekt over dat nieuwe verbond dat in je hart gegrift wordt dan doet hij dat op een moment dat die woedende wind Israël in de ban heeft: het land wordt bedreigd met deportatie, de legers van andere machten staan voor de poorten van de stad. De bedreiging van die legers wordt door Jeremia gezien, geïnterpreteerd als die woedende wind die van God komt. Wat kunnen wij met deze interpretatie van Jeremia?

Laat ik beginnen met te zeggen dat ik er in eerste instantie niets mee kan, ik houd niet van een God die woedende winden zendt, van een God die op lijden en vernietiging uit zou zijn. Ik hoef geen God die je aan het kruis nagelt. En met deze woede in me luister ik dan verder naar Jeremia en naar Jezus.

 

Van Jeremia weet ik hoe hij gevochten heeft met God. ‘Waarom moet ik de hele dag geweld en onderdrukking roepen?’ schreeuwt hij tegen zijn God, ‘Die boodschap van u brengt me alleen maar eenzaamheid, mijn familie, mijn broers en zusters, ze vertrouwen me niet, ze laten me vallen als een baksteen en mijn vrienden proberen me zelfs uit de weg te ruimen. Er zijn profeten die andere woorden spreken, die roepen dat het allemaal zo erg niet is, en jij roept dan tegen mij dat ik ze de mond moet snoeren. Mijn God, was ik maar nooit geboren. Nooit was ik in vrolijk gezelschap, nooit heb ik plezier gemaakt. Eenzaam was ik door uw toedoen, u hebt me immers volgegoten met uw woede. Waarom al dit lijden, waarom is er geen genezing, u hebt me teleurgesteld: een onbetrouwbare beek bent u voor mij.’ Op al die klachten van Jeremia geeft God dit antwoord: ‘Bekeer je en spreek waardige woorden, je bent mijn zegsman en jij mag je niet naar het volk richten, zij moeten zich naar jou richten.’ Je zou kunnen zeggen dat Jeremia de mond gesnoerd wordt, hij krijgt geen antwoord op zijn vragen. Hij moet blijven zeggen dat er grove en verschrikkelijke mistoestanden zijn in het volk. God zegt hem zelfs dat hij niet meer moet bidden voor dit volk en dat hij niet moet trouwen en geen kinderen moet krijgen omdat er voor die kinderen geen leven is.

Ik weet niet of dat de reden is waarom Jeremia niet getrouwd is, ik weet niet of God de reden is dat hij eenzaam was en zich volgegoten wist met woede. Wat ik wel weet, of in ieder geval vermoed, is dat Jeremia in alle twijfels, met al zijn ongemakken, met alles wat hij zag aan wantoestanden, zich naar God gericht heeft en zijn leven tot een roeping heeft laten maken. En al die pijn en wanhoop heeft hij gedragen en verdragen, en zo heeft hij zijn God leren kennen als een God die genade verleent juist ín de woestijn van het leven, en niet als de woestijn weer opgehouden is. Of zoals Néher het gezegd heeft: ‘De ervaring van verdriet en machteloosheid wordt niet veranderd in vreugde en de weg weer zien, zij wordt erdoor gedragen. Er wordt geen traan gedroogd, geen ziekte genezen, geen lijden opgeheven, maar in de traan schuilt een glimlach, in de onmacht van iedere ziekte een kracht tot activiteit. In ieder lijden een les, in iedere emotie, ook de emotie van woede, een liefde. Er is in ieder graf een waken.’ Jeremia leert mij dat zijn God een God is met wie een paradoxale dialoog gevoerd moet worden. En wie die dialoog gevoerd heeft weet dat Gods woord in zijn/haar hart gegrift is, dat niemand hem/haar nog hoeft te leren. Gods verbond, Gods wet is een van de organische functies van het mens zijn geworden. Even natuurlijk en spontaan als je hartslag is Gods woord je nabij.

 

En dan nog even in de leer bij Johannes. De ziener van Patmos. De wijze waarop hij over Jezus schrijft betekent voor mij altijd weer dat ik diep moet nadenken. Ik kan mij beter in Johannes inleven dan in de Jezus van Johannes.

Johannes schrijft voor die bange kleine kudde die zijn aanwezigheid moeten missen omdat hij gevangen zit op Patmos. Voor hen schrijft hij; hij roept hen in heel zijn evangelie en in zijn brieven toe dat ze niet bang hoeven te zijn. De mensen van de kerken waar hij in de openbaring over schrijft, wonen in een troosteloze, lege, armoedige landstreek. Hen wil hij troosten en uitdagen, die kleine bange kudde. En zo laat hij Jezus zeggen: “Ik ben doodsbang maar wat moet ik dan zeggen, vader: God, red mij uit dit uur, maar om dit uur toch ben ik gekomen.” Voor iedere mens die in dat uur aankomt heeft hij deze boodschap. Het is het uur waarop in ieder mensenkind aan het licht komt wat zijn uiteindelijke waarde is, zijn uiteindelijke bestemming. Dat uur dat je niet meer op de vlucht gaat, dat je blijft staan voor je geloof in de liefde, voor je trouw aan je gegeven woord. Dat uur dat je er niet onderdoor gaat maar er doorheen gaat. Dat uur laat zien hoe groot de mens is, hoe groot God is, want als Johannes schrijft dat God de zoon van mensen verheerlijkt en dat God verheerlijkt wordt in de mensenzoon, dan is dat een en hetzelfde uur.