|
|
Preken: Johannes 12, 20 - 33
Door Jan Berger
Een blijde boodschap
Het is de eerste Passiezondag in de Lijdenstijd.
Laten we maar wat vertellen zoals het moment het ingeeft. Er wordt
veel gezegd, maar toch ga je kijken wat er te doen is.
Jezus is in
Jeruzalem aangekomen, uiteengetrokken – dat moet tenminste haast wel
– tussen het succes dat Hij heeft enerzijds en de pijn en de angst
anderzijds. Het feit dat er een Griek op Zijn weg komt met de vraag
om Hem te spreken geeft een beetje aan dat Zijn boodschap ook buiten
de Joden om openging. Het is echter ook spannend. "Zie, ze lopen
allemaal achter Hem aan", staat er vlakbij deze evangelie-tekst. En
Jezus is geen held. Dat denken wij nogal eens, maar ik geloof er
niets van. Hij zit ook in die menswording: "Zij lopen allemaal
achter Mij aan." Hij heeft een opdracht, dat wel, en Hij leeft
ervan. Een pagina of zo verder in dit verhaal komen we tenslotte ook
nog Judas tegen, de dief van de groep. Het feit dat je, kijkend naar
de woorden van het evangelie, de situatie zo kunt tekenen stemt ook
niet zo vrolijk. Wie is er eigenlijk nog te vertrouwen? Die vraag
moet wel in Hem geleefd hebben. Wat is dat ideaal?
Als je in deze
weken – maar eigenlijk altijd, zoals het mij althans overkomt –
Jezus tegenkomt, dan kom je ook duisternis tegen. Er is wel degelijk
een blijde boodschap, maar waar Hij is roept dat ook het duister op.
De Matthäus Passion, die we alweer gaan beluisteren, kan nog zo
prachtig zijn, ze is ook een uitdrukking van pijn en verwarring.
"Daar is weer die onheilsprofeet": zo kun je die Passion ook noemen.
En zoveel tientallen jaren later probeert Johannes aan zijn gemeente
duidelijk te maken wat er gebeurd is. Hij probeert Jezus ook te zien
in Zijn heerlijkheid. Dat woord ‘heerlijkheid’, zoals dat hier
staat, betekent ‘zoals Hij werkelijk is’. Hij doet het in zijn eigen
taal, maar wel – en dat is typerend voor Johannes – met liefde.
Johannes heeft nooit iets geschreven waar geen liefde in voorkwam.
En hij laat Jezus hier roepen: "Nu is mijn ziel ontsteld." Bij dat
zinnetje, bij deze angst – die hier even diep gaat als het verhaal
van Gethsemane in de andere evangeliën -, bij deze spanning nú – en
duw het niet weg ; dat kan toch niet – kun je lang stilstaan.
In Zijn ontreddering, die in dit evangelie zo
duidelijk is, wordt Jezus als het ware opnieuw gedoopt. Weer klinkt
hier die stem, die zich laat horen – niet door iedereen -, weer
klinkt hier het gedonder, maar het wordt hier fijnzinniger bedoeld.
"Geliefd": dat woord krijgt Jezus te horen. Met die stem roept God
elke mens, niet alleen Jezus. Je hebt het nodig om bij die stem van
Hem open te gaan teneinde door de melancholie heen te komen en in
verhouding te komen. Dat is dezelfde stem, die ook bij Adam klonk,
bij Mozes, bij Abraham, bij de profeet en bij Jezus en die nu ook
bij ons klinkt, als we tenminste open willen gaan. Die stem is
ervoor bedoeld om helder te ontvangen dat God ons het eerst heeft
liefgehad.
Het kan ook niet anders. Gisteren tijdens onze
voorbereiding zaten we met een man of tien in een kring. Daar waren
er een paar, die hun handen vormden tot een klein plaatsje waar de
korrel ligt. Het was heel alleen, heel stil, maar het gebeurt. In
die stem word je uit jezelf geroepen. Die graankorrel moet sterven,
of – zoals we deze week zeiden – je moet je hart verliezen, net
zoals die graankorrel bezig is.
Het is een zekerheid dat we allemaal moeten
sterven. Dat is onvermijdelijk, maar in Jezus komt het leven op ons
toe. Het kost ons veel moeite om dat echt aan te nemen, maar dat is
het woord, dat is de boodschap. En op deze eerste Passiezondag wil
ik jullie graag toewensen dat je met een zekere vanzelfsprekendheid
Hem op de weg kunt vergezellen. Het is zo dat wij in deze week vaak
met woorden geconfronteerd worden, terwijl het passieverhaal vaak
een spel is. Je kunt het zien, het wordt gespeeld, en ook geleden.
We moeten het deze week op onze tocht met woorden doen. Je kunt bij
jezelf nagaan hoe je ertegenover staat. Ik heb bij mezelf gevoeld
dat ik niet meer meteen wegloop voor de dood, dat ik probeer erbij
te blijven. De leerlingen staan op het punt van die bevrijding,
omdat ze zich openen en zich geopend hebben. Het gaat erom om die
extra betekenis van het woord ‘dood’ in te ademen. Zijn dood is
angstaanjagend en tegelijkertijd bevrijdend, en wie erin gelooft zal
eeuwig leven hebben. Dat kun je niet gemakkelijk zeggen, maar je
moet het wel zeggen. Ik hoop dat we dat leren, want Hij heeft ons
‘vrienden’ genoemd. Dat is voldoende om ons leven echt waar te
leven. Dat is de blijde boodschap.
Nogmaals wens ik onszelf toe dat we niet aan die
boodschap voorbijlopen, maar dat we er stil bij worden.
|