Foto: Evangelie volgens Johannes
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Johannes 2, 13 - 25

Door Tineke Renkema, gehouden op 19 maart 2006

 

Een mens, voor een tijd een plaats van God

 

Tien woorden, we hebben ze gezongen, we hebben ze gehoord in een eigentijdse vertaling (van Anton Houtepen). Woorden als sporen van God. Woorden voor toen en nu.

“Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypte hebt weggeleid”. Wat een begin om zo aangesproken te worden en mijn bestemming als mens te vernemen. Geroepen, bestemd tot vrijheid voor ieder van ons.

Een vrijheid die ik niet zelf kan maken.

En juist dat over God te horen in een tijd waar bijna alles te ‘maken’ is.

En juist dat over God horen in een tijd waarin alles gericht is op autonomie en zelfstandigheid.

Juist dan te beseffen: Ik kan mijzelf niet bevrijden. Ik ben daarin fundamenteel afhankelijk van die God.

En zo zijn wij fundamenteel afhankelijk van elke mens naast ons, die u en mij roept ieder uit ons eigen Egypte.

Dat te erkennen, die God te erkennen, die medemens te erkennen als mijn behoud en mijn bestemming is fundamenteel. Want zonder die aanspraak van die A(a)der raak ik immers steeds weer opnieuw verstrikt, opgesloten in mijn eigen ik, in mijn egocentriciteit.

Tien woorden, die mij in de juiste verhouding brengen tot God, tot die ander, tot mijzelf. Verhoudingen, die getekend worden door een fundamentele afhankelijkheid, door eerbied en respect. Dit vermogen tot eerbied en respect is een van de belangrijkste vermogens van de mens en misschien wordt dit ook wel het meest met voeten getreden.

 

En dan zien wij in het evangelie van vandaag, een mens die deze tien woorden zo opgenomen heeft, dat waar hij ook komt, hij mensen tot vrijheid roept met woord en daad. Weg uit hun opgeslotenheid, uit verstarring: lichamelijk, psychisch, geestelijk. Waar hij ook komt, komt hij in opstand tegen alle vormen van slavernij en knechting, alle vormen van machtsmisbruik waarvan mensen slachtoffer zijn.

 

Het verhaal van vandaag over hoe Jezus in Jeruzalem op het tempelplein optreedt, laat bij uitstek zien, waar het Jezus om te doen was. De evangelist Johannes zet dit verhaal niet voor niets aan het begin, omdat het zo wezenlijk is.

Wij treffen een woedende Jezus aan. Woedend, omdat juist op deze aan God gewijde plaats, dit centrum van religieus leven, van geen eerbied en respect meer sprake is. In tegendeel: er wordt geen eer gebracht aan de God die bevrijdt, maar er wordt gehandeld op een manier waardoor mensen worden uitgebuit.

‘Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader’, horen we hem zeggen.

En wat is er van het ritueel van het offeren geworden? Alleen nog uiterlijkheid, terwijl het van oorsprong toch zo kostbaar was om iets te delen van je bezit, al was het maar om je eraan te herinneren dat jij uiteindelijk je leven niet zelf hebt gemaakt, maar gekregen, gekregen om te delen. En was het in oorsprong niet gebruik om samen maaltijd te houden van de offers die waren gebracht?

Wat is ervan geworden? Alleen nog uiterlijkheid. En mensen die zich in bochten moeten wringen om aan deze verplichting te kunnen voldoen. Voor sommigen, met name voor arme mensen waren de lasten veel te zwaar. Terwijl het ritueel juist ervoor is God en mens te heiligen.

 

We zien een woedende Jezus, die de confrontatie niet uit de weg gaat, in tegendeel! Woede? Kunnen wij dit aan? Woede, waar wij ons meestal niet aan wagen, omdat we er bang voor zijn met als consequentie toenemende passiviteit, afnemende bezieling en gebrek aan hartstocht. We vinden het moeilijk om woede te zien als een vitale kracht. Een kracht waarmee we halt kunnen roepen aan wat niet goed is, een kracht om zelf overeind te blijven en vooral ook overeind te houden waar het om het heilige gaat.

Jezus zet deze vitaliteit volledig in en gaat de confrontatie op geen enkele manier uit de weg.

 

Hem wordt dan ook gevraagd, wie hij dan wel is, waar hij het recht vandaan haalt zich zo te gedragen.

‘Breek deze tempel maar af en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen’. Het leidt tot misverstaan, omdat, en wij herkennen dat vast wel, alleen oppervlakkig wordt geluisterd. Maar even later volgt de uitleg: Jezus sprak over de tempel van zijn lichaam.

Wat gebeurt hier toch? Jezus die het op zich neemt zelf een plaats te zijn waar God ontmoet kan worden. Ik ben! Ik ben die plaats. Een mens als ontmoetingsplaats met God! Wat een vertrouwen!

Wat een vertrouwen ook van die mensen, die leerlingen, die Hem zo hebben durven zien.

 

En wat betekent dit alles voor ons?

Durven wij dit aan, deze woedende Jezus in ons midden? Durven wij deze woede op ons neer laten dalen? Durven wij inzien dat niet alleen de tempellieden van toen, maar dat het ons ook zelf aan eerbied en ontzag ontbreekt? Durven wij inzien dat ook onze rituelen aan zeggingskracht hebben ingeboet en te veel uiterlijk geworden zijn en te weinig tot heil strekken? Durven wij zelf in opstand komen en in plaats van ons terug te trekken onze vitale krachten inzetten? Eén ding is zeker als we het niet doen, dan tast dat de hartstocht en de bezieling aan, en leiden wij weliswaar een veilig bestaan, maar we zitten er wel in opgesloten, onvrij, en dat is niet waartoe wij bestemd zijn.

 

Als we deze woedende Jezus in ons midden toelaten, als wij ons zo laten roepen, laten aanspreken, laten bevragen, dan worden we bevrijd van ons eigen ik, bevrijd uit wat gestold is, uitgehold. Maar ook omgekeerd: in zijn spoor in opstand durven komen waar de eerbied en het respect in het geding is.

Zouden wij ons dan niet op deze Jezus oriënteren, die dat heeft aangedurfd?

Dan waag ik het, wagen wij het samen misschien om te zeggen: ja, wij mensen, samen, voor deze tijd, een plaats van God.