|
|
Preken: Johannes 2, 13 - 25
Door Pius Drijvers
Loskomen uit automatisme
Goede middag. We zongen zojuist "in dit boek
staan gezichten, naam voor naam". Vandaag krijgen we twee gezichten
te zien: het gezicht van Mozes met de Tien Woorden en het gezicht
van Jezus, terwijl Hij de tempel schoonveegt. Het zijn twee heel
volle en belangrijke lezingen. Een ervan zou al genoeg geweest zijn
voor een hele week, maar we krijgen ze hier nu bij elkaar.
Mozes en de Tien Woorden komen uit eeuwen van
ballingschap, onvrijheid en slavernij. Ze zijn door de Rode Zee
getrokken en nu staan ze aan de andere kant van die zee. Hoe nu
verder? Mozes had een stem gehoord bij het brandende braambos. In
dat gebeuren zat een heel andere dimensie, die niet precies te
benoemen is. Daarmee levend en kijkend naar het bestaan kwamen er in
Mozes en in dat volk tien woorden boven. We zouden kunnen zeggen dat
het ging om woorden van eindeloos respect, respect voor die Heer,
die hen heeft weggeleid en die – dat beseffen ze ook heel goed –
niet te pakken is en in beelden onder te brengen is, en respect voor
elkaar, voor het leven, voor de relaties, voor de ontplooiing, de
goede naam en het bezit van mensen. Zo proberen ze iets te
verwoorden wat nooit af is. Het is niet precies te omschrijven. Wat
zij ontdekt hebben is dat God met ons bezig is, dat er een project
is van God met ons, mensen. Dat behelst niet alleen dat we dit en
dat moeten doen en dat het dan wel goed zit, maar dat we een weg
gaan en er geen automatisme van maken, dat we blijven zoeken en
proberen te achterhalen wat er in de grond van de zaak aan de hand
is. Misschien kunnen we zeggen: wat gek dat die God zo met ons bezig
is, dat Hij achter ons aanzit, dat Hij een engagement met ons
aangegaan is. Dat moeten we zien en tegelijkertijd leven en
luisteren en weten dat je, als je die Tien Woorden een beetje
probeert te onderhouden, geen enkel recht hebt. Je staat toch
helemaal in afhankelijkheid van Hem.
Aan de andere kant
zien we dan Jezus en de tempel. Die tempel is zo’n beetje het hart
van het Joodse volk. Daar leven ze, daar brengen ze eer aan en
erkennen ze die God van de Exodus en van de Tien Woorden. Maar Jezus
ziet ook – en dat irriteert Hem – hoe mechanisch het geworden is.
Jezus wil dat automatisme, dat ontstaan is in zo’n volk door maar
netjes te doen wat men moet doen – offers brengen zoals het hoort,
enzovoorts -, loswrikken. Jezus ziet namelijk dat dit de dood in de
pot is en niets met leven van doen heeft. Er staat dan in de tekst
"Hij knoopte touwen samen tot een zweep". Er staat dus niet "Hij nam
een zweep" of "iemand gaf Hem een zweep", maar Hij gaat daar zeer
ostentatief, heel nadrukkelijk, en ik denk ook met een bepaalde
kwaadheid in Zich, touwen aan elkaar knopen tot een zweep. Hij doet
heel bewust iets. Vervolgens gaat Hij er met die zweep doorheen,
fel. Tegelijk speelt daardoorheen het geheim van zijn eigen leven en
van zijn dood en heeft Hij het over de tempel, die Hijzelf is. In
Hem is de ontmoetingsplaats, en wij zullen alleen in ontmoeting met
God komen in de mate dat voor ons de ontmoetingsplek in Jezus ligt.
Daarom, denk ik, moeten wij ons hart laten vormen door omgang met
Hem. Mozes met dat volk en de Tien Woorden enerzijds, en anderzijds
Jezus, die kwaad wordt en als het ware zegt: "Zo gaat het absoluut
de verkeerde kant uit. Je legt God vast. Je weet precies wat moet en
hoort en denkt daarmee greep op het leven te hebben."
Wat staat hier nu
toch allemaal? Als ik die twee teksten bij elkaar leg – of liever,
we krijgen ze zo samen in de liturgie aangeboden -, dan lees ik hier
dat God bezig is. God biedt ons een project aan, Zijn project. Dat
project van Hem heeft zich verdicht en is heel concreet geworden in
die Tien Woorden. Dat project van Hem is tevens heel concreet
geworden en heeft vorm gekregen in de liturgie. Achter die Tien
Woorden echter en ook achter de liturgie zit een geheim. De Tien
Woorden en de liturgie zijn alleen maar een handreiking. Ik zeg
opzettelijk "alleen maar", want meer is het niet. Het is een
handreiking, want het gaat erom om dat project van Hem op het spoor
te komen. Die Tien Woorden moeten dan ook altijd weer opnieuw
vertaald worden. Dat gaat altijd door, alle eeuwen verder. En de
liturgie moet levend zijn en uit ons hart komen.
Jezus wil met zijn felle optreden – revolutionair, zou je zeggen –
ons loswrikken uit automatisme. Die aanwezigheid van God is
blijkbaar beweeglijk. En met dat woord ‘beweeglijk’ bedoel ik
‘beweging’: nú opnieuw luisteren, meegaan in Zijn project. Dit kan
in iedere nieuwe fase van de Kerk, van de mensheid, van de
Gemeenschap, van ieder van ons vaak weer allerlei veranderingen
teweegbrengen. God roept nú, in de roep van vandaag.
Als het thema is
‘ons hart laten vormen’, denk ik dat het goed voor ons is om maar
mee te gaan in de liturgie van de Goede Week en van Pasen. Daar
leven we nu naartoe, daar bereiden we ons nu op voor. Daarbij gaat
het erom om concrete veranderingen te léven, deze in ons leven
concreet te maken, om vandaag "ja" te zeggen op dat kleine stukje
van Zijn geheim, dat ons bekend wordt gemaakt. Daarom wil ik
eindigen met een citaat uit de profeet Amos, dat in ongeveer 800 v.
Chr. geschreven is. Daar staat de tekst "God doet nooit iets zonder
Zijn geheim bekend te maken aan Zijn dienaren, de profeten". Als we
goed luisteren en samen zoeken, dan zal er steeds een duiding komen
van wat Zijn bedoelingen zijn met allerlei situaties, waarin wij
verkeren.
Ik hoop dat we zo deze eucharistie kunnen ingaan,
waar Jezus ook Zijn eigen leven en Zijn eigen lot heeft moeten
ondergaan, maar geluisterd heeft om iets van het geheim van Gods
aanwezigheid door alles heen en in alles te ontdekken.
|