Foto: Evangelie volgens Johannes
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Johannes 1, 6 - 8 + 19 - 28

Door Tineke Renkema, gehouden op 11 december 2005

 

Leven met het oog op … die mens die nieuw begin is

 

Het eerste wat mij overkwam, toen ik naar de lezingen luisterde was: Zo kún je dus leven!: Gezalfd, gezonden, geroepen omwille van.

Er is een leven mogelijk vol van zin, vol van betekenis. Dat kan op een mens toekomen. Dat geeft grote vreugde en dankbaarheid om de Schepper, hoor ik bij de profeet Jesaja. Het overkomt een mens, maar niet zonder meer, niet vanzelf. Maar wat vraagt dat dan? En waar gaat het dan eigenlijk om?

 

Met deze vragen wil ik naar de lezingen luisteren. Kan ik hierin aanwijzingen vinden, die mij op het spoor zetten van een leven dat zegen in zich draagt en dat tot zegen is?

 

De profeet Jesaja is zo’n gezalfde. Hij durft het aan in tijden van donker, van teleurstelling, van gevangen zitten, juist dan de hoop te doen leven. Deze profeet houdt het verlangen gaande en de toekomst open. God zal zijn belofte gestand doen. Hoe? Doordat deze belofte in de mens zelf zal ontkiemen. Een belofte is een oproep.

 

Ook Johannes is zo’n gezondene van God, zo iemand wiens leven vol van zin en betekenis is. Hoe kan dat aan een mens gebeuren?

Het eerste wat daar iets over zegt is misschien wel de plaats waar hij zich bevindt. Waar je bent, waar je kiest om te zijn, zegt iets over wie je bent.

 

Johannes bevindt zich aan de overkant van de Jordaan, in Betanië. Dat is de plaats waar het volk ooit was, voordat het de rivier overstak naar het beloofde land. Het is een overgangsgebied van woestijn naar een land vol belofte, ver weg van het centrum, het je bezettende, bezittende bestaan. Een plaats van uithouden, van uitzien naar, van stil en leeg genoeg om een stem te kunnen horen die roept.

Aan de overkant van de Jordaan, in Betanië. Dat betekent: Het huis van de Arme. Het is geen plaats, die je daar terugvindt op de landkaart maar die plaatsnaam roept wel onmiddellijk associaties op met het huis waar Lazarus woonde, die dood was en tot leven werd geroepen.

In dit overgangsgebied op de grens van dood naar leven, van met lege handen staan bevindt zich Johannes en dáár klinkt zijn stem.

Johannes is zélf de plaats waar hij zich bevindt, want hij is niet het beloofde land, hij is niet zelf het nieuwe begin, maar hij kondigt het aan. Waar iemand zélf de plaats is, daar wordt het heilige grond.

Hij roept mensen op om zich gereed te maken voor nieuw leven. Als teken daarvan doopt hij met water.

 

Zo’n roep draagt ver, tot in het centrum van het religieuze leven, tot in Jeruzalem, waar vernieuwing en verandering doorgaans weerstand ontmoet. (En dat klinkt vast niet vreemd in onze oren.) Er wordt een delegatie gestuurd en Johannes moet zich verantwoorden. Tot drie maal toe wordt hij bevraagd op zijn theologische identiteitspapieren. Tot drie maal toe horen wij: ‘Ik ben niet …’.Wie dan wel? ‘Ik ben de stem die roept in de woestijn: maak recht de weg van de Heer’. Hier maakt Johannes zich bekend. Door de weerstand heen komt een mens tevoorschijn die zichtbaar maakt dat je je kunt verbinden aan een ooit gesproken profetenwoord, zodat het opnieuw gaat leven.

 

Maar het geroepen zijn van Johannes gaat verder: hij geeft stem aan een oud profetenwoord, hij maakt zelf die weg van de Heer recht, hij ziet zelf uit naar een nieuw begin, en dan overkomt het hem dat hij de mens ziet die het nieuwe begin is.

Zo wordt Johannes tot een getuige. Zo is het zijn roeping geworden om van deze mens te getuigen en hem aan te wijzen als de lang verwachte, als drager van het woord van het begin: “Er zij licht.”

Het is de zin van zijn leven, dat deze mens gekend zal worden.

 

Zo kun je dus leven: Gezonden, geroepen omwille van!, zei ik aan het begin. Zo wil ik leven. Zo willen wij hier leven, als kerk, als gemeenschap.

De profeet Jesaja geeft ons daarbij het uitgangspunt in handen: God zal zijn belofte gestand doen, niet anders dan doordat het zaad van liefde, door de Schepper zelf in ons geplant, in ons zelf zal ontkiemen. Een belofte is een oproep.

 

Johannes laat ons zien op welke plaats wij zouden kunnen gaan staan, of misschien liever gezegd: dat je een plaats kunt zijn.

Een zin- en betekenisvol bestaan begint daar waar wij stil, leeg, arm genoeg zijn. Verwachting zijn, uitzicht zijn, hoop zijn. Johannes was zo’n plaats, toen.

Ik denk, dat het voor ons als kerkgemeenschap onze roeping is zo’n plaats te zijn, nu!

En ik weet, dat ik nog veel heb te leren, of beter gezegd, nog veel heb af te leggen, maar dat mag ook.

 

Geroepen, gezonden om zelf, om samen een plaats te zijn, dan kan het niet anders (en dat hoort m.i. bij het geroepen zijn) dat wij weerstand, tegenspraak ontmoeten, niet alleen van buitenaf, maar ook in onszelf. Al is dat maar dat het toch nog zo donker blijft, toch zo weinig licht om met elkaar te leven.

Johannes toont ons dan de weg hier doorheen: Hij maakt bekend met het oog op wie hij gezonden is. Zonder dat omwille-van-wie wordt ons leven zinloos, vruchteloos. Johannes leeft met het oog op, omwille van die mens, die nieuw begin is, die licht is. Het is de zin van zijn leven dat deze mens gekend wordt.

Kunnen wij dit opnemen, met het oog hierop leven? Is het ook niet onze roeping, de zin van kerk en gemeenschap om ons te verbinden met dat wat Johannes ons toont: om op onze beurt aan te wijzen waar iets van dit Messiaanse licht aanwezig is, aan te wijzen elke vonk in de duisternis, aan te wijzen waar Hij in ons midden is, dan hier, dan daar?

Mag het ons overkomen dat wij zo leren zien en ervan getuigen.