Preken: Johannes
1, 29 - 34
Door Leonie van Straaten, gehouden op 20 januari 2008
Dat wij zien wat is en getuigen van het verhaal van de Levende!
Hoe
komt een mens ertoe om te getuigen van Gods trouw?
Die
mens heeft iets gezien. Maar dat moet dan wel iets bijzonders zijn
geweest. Waar je altijd al naar uitgekeken hebt, wat je gehoopt of
verwacht hebt.
Een
profeet ziet meer, of anders. Want God is groter, en anders. Jesaja
ziet Gods trouw in alles wat er gaande is. In de puinhopen van een
volk na de ballingschap, waar alle structuren ontbreken. Zoiets als
de situatie in Irak, waar de chaos onoverkomelijk lijkt. Jesaja ziet
in de realiteit wat niet concreet te zien is. Het heil, heelheid,
tot in alle uithoeken. Een prachtig visioen. Hij waagt het Gods hand
in de geschiedenis te zien en te benoemen.
Ook
Johannes is een profeet die het waagt God aan het werk te zien,
terwijl er in feite zoveel ongerechtigheid, wanbeleid en
machtsmisbruik zichtbaar is. Hij ziet Jezus, de Mensenzoon. In Jezus
ziet hij het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt.
Waarom spreekt Johannes over het Lam Gods? Er zijn veel
verschillende visies. Maar we werden in onze voorbereiding
meegenomen in een uitleg die mij boeit. Dit lam roept een tekst op
uit Exodus. Daar staat beschreven hoe de mensen dagelijks een lam
offeren in de tempel, vanwege hun zonden. Maar God belooft dat er
een tijd komt, waarin Hij zelf onder hen zal komen wonen. Als
Johannes Jezus aanwijst als Lam Gods, dan klinkt hierin door dat
deze tijd nu aanbreekt: in Jezus komt God onder mensen wonen. En
daarmee wordt de zonde van de wereld weggenomen en wordt het
dagelijkse offer overbodig. Mensen hoeven zich niet meer dagelijks
bezig te houden met hun eigen straatje schoon te vegen; ze mogen
zich met Jezus en Gods zaak bezig houden.
God
openbaart zich in Jezus, met hem wordt Gods zaak openbaar. En
Johannes onderstreept dat hijzelf daarbij enkel een voorbereidende
taak heeft. Het is bijzonder hoe hij Jezus erkent als zijn meerdere.
Terwijl Jezus zijn openbare optreden begon als leerling van
Johannes, wordt het in wezen anders: Jezus, die na hem komt, wordt
gaande de weg zijn voorganger. Want in hem is Gods trouw aan de
mensen te zien.
Johannes getuigt over de inwoning van God. Hij
ziet de duif neerdalen op Jezus; Gods geest blijft op hem rusten.
Wonder van beleid. Of, zoals Jelle het vorige week zei: goddank dat
er een mens is, op wie Gods geest kon blijven rusten. De mens die
beeld van God is en daad-werkelijk op Hem gaat lijken.
Johannes getuigt dat hij met water doopte. Een doopsel van bekering.
Dat is wat wij mensen kunnen doen, ons bekeren, ruimte maken voor
Gods inwoning. Bereid zijn om hem te ontvangen. Jezus doopt met
heilige geest, hij komt ons van Godswege tegemoet. In die doop wordt
de zonde van de wereld weggenomen, dat kunnen we niet op eigen
kracht, want dat overstijgt ons als individu. Zonde, dat is in de
Bijbel alles wat de gemeenschap ontwricht, dat is dus ook de
verdeeldheid in het ene Lichaam van Christus. Alles waarmee een mens
de andere mens – en daarmee zichzelf – tekort doet. Gods zaak is het
tegenovergestelde; gerechtigheid en liefde, waardoor gemeenschap
mogelijk wordt, een volk opgebouwd wordt. De Enige verlangt naar en
roept om eenheid. Het gaat om het heil van alle volken, waar Jesaja
over profeteert.
Johannes confronteert mij met de vraag of wij in onze maakbare
wereld wel zitten te wachten op een voorganger. O ja, we zoeken wel
iemand die ons inspireert op onze geestelijke weg. Of waar we ons
verhaal aan kwijt kunnen. Maar ook iemand die ons confronteert met
onze concrete keuzes?
Dit
roept in mij de vraag op of wij getuigen zijn van het verhaal van de
Levende God, of ons eigen verhaal maken. Het zijn ongemakkelijke
vragen, want het is niet zo zwart – wit.
Een
mens die getuigt is een mens vol verwachting, met open ogen, een
mens die ziet wat is en daarin Gods trouw herkent. Dat is een
lastige opgave in onze dagen: Gods trouw herkennen, want hij is niet
zomaar aanwezig zoals wij verwachten of hopen. Soms vraag ik me af
of ons christelijk leven en spreken over God de ogen van onze
kinderen heeft geopend of vertroebeld voor sporen van God.
Ik
weet het niet. Maar ik vertrouw wel op de kracht van heilige Geest.
Gisteren had ik een lang telefoongesprek met onze Ineke in India. Ik
hoorde in haar verhaal een grote openheid voor de uitdrukkingen van
geloof, die zij nu om zich heen meemaakt. Het zijn wel grote
verschillen, zei ze me, maar in wezen gaat het mensen toch om
hetzelfde. Dan hoor ik dat haar ogen open zijn, en ook gevormd om te
zien wat is. Het bemoedigt en raakt me, zo groeit mijn geloof in
Gods trouw, dat zijn licht kan reiken tot in de uithoeken van de
aarde. Het geeft mij kracht om te dragen, wat onzichtbaar blijft,
wat moeilijk te dragen is. En dat is voor mij net zo goed de
verdeeldheid in het ene Lichaam van Christus, als de ernstige ziekte
van een dierbare. Deze geestkracht is niet maakbaar, maar wordt ons
gegeven.
Johannes wijst Jezus aan: dit is de Zoon van God. In hem toont zich
Gods trouw. We mogen zijn leven samen vieren. Opdat we zien, waar
een zoon of een dochter van God Zijn sporen op doet lichten.
|