Foto: Evangelie volgens Johannes
 Kennismaking
 Aanbod
 Spiritualiteit
   Liturgie
   Laatste Preek
   Matteüs
   Marcus
   Lucas
   Johannes
 Dagelijks leven
 Geschiedenis
 Contact
 Zoeken
 
 Leden           Slot

Preken: Johannes 14, 1 - 12

Door Nel van Cuijk, gehouden op 24 april 2005

 

Trouw zijn aan de boodschap dat God dwars door lijden en sterven heen liefde is.

 

Een gemeente vormen, een gemeenschap zijn/worden is een hachelijke onderneming. Dat lees ik vandaag zowel in de eerste als de tweede lezing. In Handelingen horen we het gemopper over een oneerlijke verdeling van de materiële/financiële middelen. Er moeten maatregelen genomen worden en de leiders van de gemeente doen dat dan ook. Zeven mannen met Grieks klinkende namen die goed bekend staan, worden aangewezen om de materiële gang van zaken te beheren. De gemeente moet uit hun midden zeven mensen kiezen. Door de geestelijke leiders van de gemeente wordt hun verkiezing bekrachtigd met een gebed en een handoplegging. Van enkele van de aangestelde diakenen weten we dat ze onmiddellijk beginnen met verkondigen, anders zou het geestelijke werk en het handwerk ook wel ver uit elkaar komen liggen misschien.

 

De gemeente van Johannes is geschokt, verontrust, ongerust. De gemeente is de weg kwijt. Dat denk ik tenminste als er gezegd word dat je niet ongerust en of geschokt hoeft te zijn. De tijd tussen Pasen en Pinksteren is een tijd van verwarring, van zoeken, van vragen. Jezus heeft gezegd dat hij weggaat, dat hij een weg gaat die ze nu niet kunnen volgen. De gemeente, de leerlingen zijn radeloos, ze hebben alles op hem ingezet, “Mijn lijf en ziel wil ik voor u geven”, heeft Petrus uitgeroepen. Ik heb er alles voor over gehad, alles wat ik heb en ben en kan, heb ik ingezet om van deze plek een goede gemeenschap te maken en nu gaat zij een weg die ik niet kan volgen. Nu gaat Hij een weg die zij niet kunnen volgen.

“Ik ga een plaats voor jullie gereed maken en jullie weten de weg”, zegt Jezus, jullie kennen de methode waarlangs je een gemeente, een gemeenschap kunt opbouwen. Paniek bij de leerlingen: we kennen het doel niet, wij weten niet waar jij heengaat, en wij kennen de weg niet, de methode niet, hoe zullen we dan de weg weten, roept Thomas uit: “Heer laat ons de weg zien”.

“Ik ben de weg Thomas. Ik ga naar de vader en als je mij zou kennen zou je ook de vader kennen”. ‘Aha’, denkt Filippus, ‘de vader’: “Heer, toon ons de vader, dat is ons genoeg”. Waar staat ‘vader’ voor? De vader is degene die zijn kind moet erkennen, de vader staat voor gezag, voor richting, voor geborgenheid. Maar de vader staat ook voor de uitdaging om je eigen verantwoordelijkheid op je te nemen.

Welke vader wil Filippus zien als hij vraagt: ‘Heer, laat ons de vader zien’? Wil hij een godsopenbaring, wil hij het onomstotelijk bewijs dat ze op de goede weg zitten, dat de weg die ze nu gaan, de weg van God is? Hij krijgt het bewijs niet.

Jezus verwijst naar zichzelf: “Wie mij ziet, Filippus, heeft de vader gezien”. En hij verwijst naar wat de weg die hij gaat bewerkt aan mensen, aan hen, aan de gemeente. “Ik ben al zolang bij jullie, ken je me nu nog niet?” We zijn al zolang samen, weten we het dan nog niet?

Tot 12 keer toe wordt er over vader gesproken in deze tekst van vandaag. De vader die Jezus ons te zien geeft is de uitdagende vader, de vader die oproept om de Thora in je leven serieus te nemen, de vader die daden vraagt, messiaanse daden zoals we in Jezus kunnen zien. Daden die nagedaan kunnen worden. Jezus zegt immers “Wie mij gelooft zal doen wat ik doe, ja nog grotere dingen zal hij doen”. En ja, de geborgenheid is er ook, er is ruimte, ruimte voor velen in het huis van de vader.

 

Nog even terug naar Thomas. Zijn vraag ‘Toon ons de weg’ en het antwoord ‘Ik ben de weg de waarheid en het leven.’

Voor Johannes – en dus houdt hij dat zijn gemeente voor – is Jezus alles, is er geen andere weg tot God, tot het gemeente worden, tot het vasthouden aan die eerste woorden van vandaag ‘Geloof, vertrouw op God en vertrouw op mij.’

De weg die Jezus gaat is de weg naar het kruis, naar zijn dood en verrijzenis. Bij Johannes is het op Goede Vrijdag Pinksteren, want op dat ultieme moment, zegt Johannes, geeft Jezus de Geest. Dat zijn geen woorden om te begrijpen, tenminste ik begrijp ze niet, het zijn woorden die in mij, in jou willen werken, woorden om je hart in beweging te krijgen. Want Johannes wil niet dat Jezus’ woorden begrepen worden maar dat ze gedaan worden. “Want jullie zullen nog grotere dingen doen.” De waarheid is dan trouw zijn, trouw aan die boodschap dat God dwars door alles heen, dwars door lijden en sterven heen liefde is. In die weg en in die trouw ligt leven besloten, leven in eeuwigheid, leven dat je door niets en niemand afgenomen kan worden. Ook niet als je zoals Johannes verbannen wordt, gevangen gezet, weggestopt op Patmos.