|
|
Preken: Johannes
11, 1 - 45
Door
Tineke Renkema, gehouden op 9 maart 2008
Opstand als antwoord tegen de dood
Het is de 5de zondag in de
veertigdagentijd en we lezen de grote verhalen in het
Johannes-evangelie over de grote levensthema’s: over de Samaritaanse
vrouw in wie liefde gaat stromen, over de blinde die gaat zien en
vandaag het meest radicale verhaal: over een dode die tot leven
wordt geroepen. Jezus geeft in dit verhaal handen en voeten aan de
profetie van Ezechiël.
In deze profetie klinkt de belofte dat alles wat
dood is, verdord, zonder enige hoop, alles wat volkomen afgesneden
is van de Bron van leven, dat dát nieuw leven zal worden ingeblazen.
Het verhaal van vandaag is uiterst radicaal: Het is een verhaal op
leven en dood, een verhaal tégen de dood! Voor een goed verstaan:
het is niet een verhaal tegen onze sterfelijkheid, maar tegen de
vernietigende kracht van de dood.
Mijn aandacht wordt bij het lezen van zulke verhalen vaak als eerste
getrokken naar de personen, zoals vorige week naar de blinde en nu
naar Lazarus. Ik wil me in hen inleven, om dan zo oog in oog te
komen staan met Jezus.
Maar door hoe wij over deze verhalen in gesprek
waren, veranderde er iets in mijn blikrichting. Het verhaal van
vandaag werd voor mij nú geopend door wat Jezus aan het begin zegt,
wanneer Hem wordt verteld dat Lazarus ziek is. Hij zegt dan: “Deze
ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de
Zoon van God geëerd zal worden.” Iets dergelijks staat ook in het
verhaal van vorige week over de blinde, namelijk dat het erom gaat,
dat Gods werk door hem heen wordt geopenbaard. Het gaat dus niet
zozeer om de blinde zélf, het gaat vandaag niet zozeer om Lazarus,
het gaat uiteindelijk om wie Jezus is, hoe hij zijn verbondenheid
met God leeft, om wat geloven is.
Mijn ogen gaan hierdoor nog wat meer open: Het gaat dus ook niet om
jou, om mij, hoezeer we dat soms ook denken, hoezeer wij daarnaar
leven, het gaat erom hoe in de mens iets van God zichtbaar wordt:
Dat is leven ter ere van God. En dat geldt ook met het oog op de
dood, hoe moeilijk dat ook te begrijpen is.
En
als ik dan in dit verhaal Jezus volg, dan zie ik dat hij, wanneer
hij het bericht krijgt van de ziekte van zijn vriend Lazarus, niet
zoals je zou verwachten, onmiddellijk naar Lazarus toegaat, maar
wacht. Dat is niet, omdat Lazarus niet zoveel voor hem betekent,
want we zien verderop in het verhaal hoe hij huilt, maar het wachten
van Jezus wordt bewerkstelligd doordat Jezus zich uiteindelijk laat
leiden door de wil van God. Onderscheid tussen menselijke tijd en
Gods tijd. Gods tijd lijkt van doen te hebben met het uur dat God
aan het licht kan komen en Hij zo geëerd kan worden.
De
leerlingen leven met de gedachte: dood is dood; het verhaal is uit.
De Joden willen hem stenigen. ‘Laten we maar met hem gaan om met hem
gedood te worden’. Jezus zegt: ‘Nu Lazarus dood is, kunnen jullie
tot geloof komen’. Daarom gaat het.
In het gesprek tussen Jezus en Martha zien wij
die geloofssprong. Martha heeft al wel weet van de verbondenheid van
Jezus met God, maar dat dát betekent, dat voor Jezus God te
allen tijd Bron van leven is, ook nu haar broer dood is, dát
geloof breekt door. “Ik ben de opstanding en het leven, geloof je
dat, Martha?” “Ja, Heer.” God, als bron van leven, in deze mens
Jezus, te allen tijd. Léven tegen de dood!
Ik weet niet hoe jullie naar deze woorden
luisteren, maar het is maar heel even, dat ik er iets van meen te
begrijpen en met Martha ja zeg en een moment later is het ook weer
weg.
Het is dan ook maar goed, dat wát in dit
geloofsgesprek tussen Jezus en Martha geopend wordt, ook in het
handelen van Jezus zichtbaar wordt.
We zien even verder in het verhaal hoe heftig
Jezus reageert, hoe bewogen. Hij huilt, hij is woedend. Is de God
met wie Hij zo verbonden is, die in Hem spreekt, niet een God van
léven? Voor hem is er maar één antwoord op al het dodende, elke mens
die is afgesneden van het leven, alles wat stinkt en verrot. Er is
maar één antwoord op alle dood veroorzaakt door wat mensen elkaar
aandoen, er is maar één antwoord op de vernietigende kracht van de
dood. Opstand! Geen berusting, geen gelatenheid, geen apathie, maar
opstand. Opstand als antwoord: Haal die steen weg!
Het
is de God in hem die leeft, die niet kan aanzien, dat het leven
wordt afgesloten, dat het volkomen verdort, definitief aan de
vernietiging wordt prijsgegeven, de zinloosheid ten top. De profetie
van Ezechiël vraagt om vervulling.
Het
is die verbondenheid met God, dat geloof in het leven, die zoveel
kracht vrijmaakt, dat hij het uitroept: ‘Lazarus, kom naar buiten!
Leven tegen de dood in.’
Stil is het daarna, doodstil: De stilte van God, die een mens
overkomt.
En
voor ons nu? Die roep geldt ook ons: Mens, jij daar, jullie daar,
kom naar buiten!
Geloven is ingaan op de stem, die je zo naar
buiten roept. Op het appčl van die ander naar buiten komen en je
laten zien in heel je kwetsbaarheid. Dan leeft hij in ons! Dat zijn
momenten dat wij leven tegen de dood, omdat we ons verbinden.
Geloven is naar buiten komen op de roep van de ander, maar ook deel
hebben aan dit roepen van Jezus, aan deze opstand tegen de dood,
door naast hem te gaan staan en met hem een dwingend appel te doen
uitgaan, de ander naar buiten te roepen.
Dat
is leven tegen de dood. Dat is leven ter ere van God.
Mag
er ons iets van overkomen om dan stil te worden, heel stil.
|