|
|
Preken: Johannes
9, 1 - 41
Door
Tineke Renkema, gehouden op 6 maart 2005
Het openbaar worden van de werken
van God
Het is een lang verhaal, dit verhaal van de
blinde die gaat zien. Een lang verhaal, waarin wij zicht kunnen
krijgen op hoe iemand de weg van geloof gaat. Een verhaal waarin wij
zien hoe Jezus die geloofsweg opent.
Het begint bij Jezus, die in het voorbijgaan
iemand ziet die vanaf zijn geboorte blind is.
Jezus, die als God, zich om de mens bekommert. Een zien, een
begaan zijn met deze blinde, die afhankelijk is en geen zicht op
leven heeft, geen toekomstperspectief. Een mens die leeft in het
donker. Jezus, die als God, voorbijgaat om deze mens te
bevrijden uit deze duisternis. Jezus die het werk van God doet.
Waar anderen, de leerlingen, bezig zijn met de wetten van oorzaak en
gevolg, van de samenhang tussen zonde en ziekte en de mens niet
zien, daar ziet Jezus een kans: Gods werk openbaar maken, aan het
licht brengen.
Jezus ziet de blinde en dit bewogen zien gaat altijd gepaard
met handelen. Slijk strijkt hij op de ogen van de blinde. Slijk
bestaande uit speeksel, dat zacht en genezend is en uit aarde, zoals
in den beginne God de mens uit het stof van de aarde vormde. Een
nieuw begin dus, een nieuwe geboorte van deze mens.
Tot hiertoe heeft deze blinde alles laten gebeuren, hij heeft zich
nog op geen enkele manier meegedeeld. Hij heeft ook niet om genezing
gevraagd. Maar wel liet hij zich aanraken. Hij verzette zich niet.
Maar nu vraagt Jezus hem om zich te wassen.
In het bibliodrama van twee weken geleden bleek
dat een belangrijke overgang te zijn, waarin de blinde zelf
moet gaan! Jezus blijft achter. De blinde moet zelf
gaan om zich te wassen, want aan een mens kleeft veel vuil: zonde,
al dan niet terechte schuldgevoelens, passiviteit,
minderwaardigheidsgevoelens, afgeslotenheid. Schoongewassen, zoals
bij de doop, waardoor een mens geboren kan worden: aanvaard, goed
zoals hij is. Wassen in het water van Siloam, reinigend water dus,
maar ook water, dat je maakt tot gezondene, tot een geroepene, een
mens die ziet.
Hij wordt dan ook aangesproken, eerst door de
buren en we horen hem zijn eerste woorden spreken: Ik ben het. Het
is ontroerend en verwonderlijk en openbarend, want klinkt er in het
‘Ik ben het’, niet de Godsnaam door? Hij vertelt zijn verhaal, zijn
ervaring zo enkelvoudig, over hoe hem de ogen zijn geopend door die
mens die Jezus genoemd wordt.
Dan komt hij op zijn weg de Farizeeën tegen,
mensen die zorg dragen voor de zuiverheid van de leer, mensen die
moeten onderscheiden tussen valse en ware profeten. Ook ten
overstaan van deze gezagsdragers blijft de eerdere blinde bij zijn
eigen verhaal. Maar er groeit een besef van wie het is die hem de
ogen heeft geopend: een profeet. Er groeit een besef dat er niet
alleen ik is, maar ook een jij, een ander, een ander die hij gaat
zien als een profeet. Zo gaat de weg van geloof.
Tegelijkertijd wordt duidelijk hoe cruciaal het
verhaal van de blinde is, voor hemzelf, voor Jezus, want er dreigt
uitstoting uit de synagoge(de ergste straf op de doodstraf na),
vanwege de overtreding van de sabbatswet. Zijn ouders wijken
hiervoor. En wanneer de ziende blinde zelf opnieuw wordt
ondervraagd, stuit hij op het absolute oordeel van de Farizeeën. De
Farizeeën voor wie het verhaal van de ander niet meer bestaat. Zij
zijn inmiddels opgesloten in hun eigen gelijk: verblind. De ziende
blinde blijft bij zijn verhaal, zijn waarheid. Hij blijft trouw aan
zijn diepste ervaring: die ander die hem het licht heeft doen zien,
die man is een man van God, zo getuigt hij.
Uitgebannen. Als blinde was hij geïsoleerd, als
ziende wordt hij nu uitgestoten!
Hij heeft deze weg alleen moeten gaan. Jezus
was hem alleen in zijn eigen diepste ervaring nabij. Hij moest op
zijn eigen binnenste leren vertrouwen. In deze crisis wordt hij nu
opnieuw gevonden en komt hij nu voor het eerst oog in oog met hem te
staan. Ik geloof Heer!
Is de weg van het geloof, de weg van deze blinde
niet de weg naar Pasen, de weg die wij met Hem proberen te gaan:
door te beseffen dat wij blind en toch gezien zijn,
door ons aan te laten raken,
door gehoor te geven, zelf te gaan in het besef dat niemand in onze
plaats kan gaan,
door ons onder te dompelen in het water, ons te herinneren: De Heer
heeft mij gezien en onverwacht ben ik opnieuw geboren en getogen en
zo neemt hij voor lief mijn onvermogen,
door ons eigen verhaal te vertellen, de verantwoordelijkheid ervoor
te nemen,
door oog krijgen voor die ander die ons de ogen heeft geopend en zo
God zien,
door trouw te blijven aan hem en aan je eigen ervaring,
en, als alles duister is, door net zolang te wachten tot Hij ons
vindt om eindelijk oog in oog met hem te kunnen staan?
Zo is het verhaal van de blinde, ook tot mijn
verwondering, het verhaal van ons leven, van geboorte tot dood, tot
wij opgenomen worden in Zijn Licht.
Zo worden de werken van God openbaar.
|