|
|
Preken: Johannes
4, 1 - 42
Door
Hinnêni Peltenburg, gehouden op 23 februari 2008
Onlesbaar is de vraag naar water zonder bijsmaak. Wijzelf: een
bodemloze put
Mozes en zijn volk in de woestijn.
Refidim: plaats van verkwikking, blijkt plaats van onverkwikkelijke
verwikkeling. “Is de Eeuwige in ons midden of niet?” Er is geen
water. Morren, ja dat kunnen zij. Zij? Opkomen voor eigen bestaan
dat moeten zij in doodsnood. Ten koste van de ander: jij moet opzij.
De gemeenschap valt uiteen onder het gewicht van het eigen hachje.
Opstandig, teleurgesteld, woedend, vol verwijten zijn zij, misleid
worden we, voelen zij. Hoe moet dat toch, vragen zij en hoe moet dat
toch, vraagt hij. Waar komen wij vandaan, waar gaan wij naartoe?
Waar is de Bron van leven waaruit wij kunnen putten in deze
woestijn. Onlesbaar is de vraag, naar water zonder bijsmaak. Wijzelf
een bodemloze put. Wat moet Mozes toch voor het volk doen?
Ga naar de Horeb,
naar Mij toe: overstijg de situatie. Sla op mij, de Rots, dan zal ik
stromen; ik laat mij openbreken opdat jullie leven. Geen ander teken
zal sprekend genoeg zijn. Een staf en een stok zal jullie leiden.
Het zachte zal de rots doorboren; het hout zal leiden en geleiden,
die kracht die van de Enige komt. In de hand van mijn man, Mozes,
zal Ik met jullie zijn, als jullie opgeheven handen verslappen en
het geloof wankelt. Want soms even zul je het zien, dat Ik ben die
er altijd is; Ik zal er zijn is mijn Naam. Onwankelbaar als een rots
Jezus en de vrouw
bij de Samaritaanse put van Jakob
Hij moest wel door
Samaria trekken, een heilig moeten omwille van zijn roeping, zijn
inzicht in het koninkrijk der hemelen dat midden onder ons is.
Dorstend zit Hij aan de bron, Hij, die zelf de bron van levend water
is, op het zesde uur, het heetst van de dag. Het is zijn uur en
toch, nog is zijn uur niet gekomen.
Een
vrouw haalt water op het heetst van de dag, het zesde uur. Dat doet
een vrouw die dorst heeft; die zoekt naar haar aanvulling en maar
niet vindt en zich niet bindt. Vijf keer heeft zij in haar leven een
man ontmoet, maar daaraan geen leven gekregen. In haar is dorst,
maar nog geen dorst naar het woord van de Enige, nog niet. Een leven
van onvervulde liefde, bodemloos verlangen: geen duurzaam verbond
met de Enige, nog niet.
Jezus heeft dorst, Hij, de Redder van de wereld… Hij die de gave
Gods van zichzelf is, Hij die ons alles heeft te geven, vraagt de
vrouw aan Hem te geven wat zij niet heeft. Als je dat toch eens
wist… Als jij niet vraagt, kan Ik jou niet geven wie ik ben: Geest
en waarheid, een bron van eeuwig leven, de Redder van de wereld.
En
wij, de leerlingen, de Farizeeën, met onze goede bedoelingen; met
onze dorst naar Verbond met de Enige… Zonder Jezus, de Zoon, gaat
het niet, komt er geen Koninkrijk der hemelen op aarde, ontmoeten
wij niemand bij de bron. Putten wij tevergeefs naar het woord van de
Heer. Als ik niet vraag, kan de Heer mij niets geven; zal de aarde
onvruchtbaar blijven. Als ik Hem niet beleid als Redder van de
wereld, zal ik geen deel aan Hem hebben.
|