|
|
Preken: Johannes
4, 4 - 42
Door Koos van
Etten, gehouden op 27 februari 2005
Jezus, bron van levend water
Dit verhaal van de ontmoeting tussen Jezus en de
Samaritaanse vrouw is een boeiend verhaal, waarvan ik hoop dat het
vanzelf zijn werk doet. Toch wil ik in het kort nog enkele lijnen
schetsen.
Dit verhaal is een geloofsverhaal: het vertelt hoe het proces
verloopt om te komen tot geloof in God, geloof in Jezus. Het spreekt
over twee niveaus; dat zult u wel opgemerkt hebben. Het is alsof
Jezus en de vrouw in het begin elkaar niet verstaan, vanuit een heel
andere werkelijkheid met elkaar praten. Pas gaandeweg komen zij bij
elkaar. Ik heb datzelfde ervaren, toen ik begon aan mijn retraite:
in het begin waren het twee werelden: Jezus op de icoon daar, ik
hier. Pas gaandeweg werd ik weer door zijn geboeidheid meegenomen.
Hoe verloopt dat proces nu in dit evangelie?
Jezus neemt het initiatief en zegt tegen de vrouw: ‘Geef mij te
drinken.’ Hij nodigt haar uit op hem in te gaan. Maar zij reageert:
‘Hoe kunt u als Jood om water vragen aan mij, een Samaritaanse?’ Ze
gaat uit van de feitelijke scheiding; ze zijn vreemden voor elkaar.
Dat is het dagelijkse patroon dat zij kent. Maar Jezus doorbreekt
dat patroon: hij gaat in gesprek met een Samaritaanse, een vreemde
en bovendien gaat hij in gesprek met een vrouw, wat volgens de
leerlingen helemaal niet gewoon is.
Vervolgens zegt Jezus dat hij aan haar levend water wil
geven, waarop zij reageert: ‘U hebt niet eens een emmer en de put is
diep’. Zij is aards, staat met beide benen op de grond en daar is
niets mis mee. Voor haar is water iets dat je moet gaan halen, iets
waar je moeite voor moet doen en zo is dat voor ieder van ons. Maar
Jezus heeft het over een andere werkelijkheid. Hij zegt: ‘Wie drinkt
van dit water, krijgt nog meer dorst, maar wie drinkt van het
water dat ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst meer
krijgen; integendeel, dat water zal in hem opborrelen als een bron
van duurzaam leven.’ Hij reikt iets aan waarvoor we open kunnen
komen: een leven met God, een leven vanuit zijn Geest. Water is voor
hem een levenswijze. Die bron opent hij in de vrouw en in ieder van
ons.
Daar gaat Jezus op door; hij ruimt a.h.w. eerst
het puin op uit die bron. Hij zegt: ‘Ga je man roepen’, maar zij
antwoordt: ‘Ik heb geen man’. Uit het vervolg blijkt dat zij in haar
privé-leven zoekt naar een duurzame relatie, maar die nog steeds
niet gevonden heeft. We kunnen hierbij van alles denken, maar Jezus
gaat er verder niet op in. Wel is de vrouw eerlijk en laat Jezus in
haar hart kijken; bovendien keert zij zich naar hem om, want eerst
had zij hem alleen nog maar als Jood aangesproken, maar nu ziet zij
in hem een profeet. Dan komt er een heel gesprek over de ware
aanbidders, waarbij Jezus opnieuw bestaande grenzen doorbreekt.
“Nee, niet in Samaria, niet in Jeruzalem alleen, maar op elke plaats
is God te vinden, als we leven vanuit zijn Geest.” Daarop zegt de
vrouw: ‘Ik weet dat de Messias zal komen..’ Dan laat Jezus zichzelf
kennen en zegt hij: ‘Ik ben het, degene die met je spreekt.’ Hij
getuigt dat God er is, in en door hem heen, hier en nu, en dat
brengt hen bij elkaar.
Zo gaat blijkbaar het proces om tot geloof te
komen, van Jezus een aanbod en een uitnodiging, van de vrouw uit
gezien een poging om het geheim van leven te ontdekken, hortend en
stotend. Gaandeweg raakt zij geboeid in hem, wordt zij bij haar
diepste zelf thuis gebracht waar zij staat voor God, en leert zij
hem kennen in wie hij is van Godswege. Het verdere verloop van het
verhaal laat zien, dat zij voor de medeburgers van haar stad tot een
getuige wordt. Zij zegt: ik heb iemand gevonden; zou hij de Messias
zijn? Haar zoeken en tasten levert vrucht op en de mensen stromen
toe. En als hij enkele dagen in hun stad blijft, geloven zij niet
meer op het woord van de vrouw, maar hebben Jezus zelf leren kennen
en erkennen zij hem als de redder van de wereld.
Het verhaal begint heel klein, heel moeizaam, maar het eindigt in
een breed perspectief!
|