|
|
Preken: Johannes 1, 1 - 18
Door Irene
Suasso
Een nieuw begin
Hartelijk welkom
op deze eerste dag van het jaar 2004.
'Om een mens te zijn op aarde is hij onder ons geboren' hebben we
zojuist gezongen. Het was Jezus' levensopdracht om 'mens' te worden,
'mens van God' te worden. En dat is ook onze opdracht. Vandaag
krijgen we een vers nieuw jaar om ons dat opnieuw te herinneren,
herinneren. We kunnen vandaag een nieuwe start daarmee maken.
Ook in de lezingen die we straks gaan horen is er sprake van een
nieuw begin. We worden via het allereerste verhaal van de bijbel
gebracht naar het begin van de schepping. We horen hoe de mens werd
geschapen en werd geplaatst in de tuin om die te bewerken. En in het
evangelie van Johannes horen we dat in het begin het Woord bij God
was en dat dat Woord door de geboorte van Jezus 'vlees' is geworden,
'mens' geworden is onder ons.
Als we zo luisteren naar deze verhalen over het 'begin', dan lijkt
het of de heilsgeschiedenis een begin en een einde heeft, zoals ons
eigen leven. Het kalenderjaar en ook het kerkelijk jaar maken
weliswaar een cirkelbeweging van oudjaar naar nieuwjaar, van lente
naar zomer, naar herfst naar winter en weer naar lente. En van
advent naar de geboorte van Christus met kerstmis, naar zijn lijden,
sterven en opstanding met Pasen, van zijn Hemelvaart en de zending
van de Geest met Pinksteren naar zijn wederkomst met Kerstmis. We
beginnen steeds opnieuw. Allemaal zijn we echter het afgelopen jaar
weer een jaartje ouder geworden. Ons leven is 'opgaan, blinken en
verzinken' en heeft een einde waar geen ontkomen aan is.
Maar als we straks goed luisteren naar de verhalen over het begin,
dan horen we dat er vóór dat begin al iets was wat er altijd wás, en
er altijd zal zíjn. Iets wat niet in de tijd staat, maar tijdloos,
eeuwig is. In Genesis is sprake van de 'Geest van God', 'de adem van
God', die al over de wateren zweefde, vóórdat God begon met het
scheiden van het donker en het licht. En Johannes spreekt over het
Woord van God dat al bij God was vóórdat alles geworden was. Dat
Woord was het Licht der mensen dat schijnt in de duisternis. Dat
Woord, dat Licht, die Goddelijke Wijsheid en Goedheid, wás en ís er
altijd, maar Johannes vertelt ons hoe hij in zijn tijd heeft ervaren
dat dit eeuwige Woord werkelijkheid werd in die éne mens Jezus. En
als we ons toekeren naar dit Licht, dit Woord, als we het aanvaarden
en deel van ons leven maken, dan worden wij nieuwe mensen, kinderen
van God. Dan zijn we niet langer onderworpen aan de natuurwet van
'opgaan, blinken en verzinken'. Dan leven we in verbondenheid met de
eeuwigheid, in relatie met God. Dan wordt ons de kracht gegeven om
met beide voeten op de grond te staan van de tuin die ons gegeven is
om te bewerken. We weten dan dat de duisternis en het kwaad niet uit
ons leven zullen verdwijnen, maar dat ze nooit het laatste woord
hebben.
Door de cirkelbeweging van het kerkelijk jaar en het kalenderjaar,
krijgen we steeds weer de kans om ons daarvan bewust te worden. We
kunnen steeds opnieuw beginnen, steeds weer nieuw gaan kijken naar
het leven. Zo hebben we binnen onze gemeenschap het afgelopen
najaar, in vijf geloofscommunicatieavonden 'als met nieuwe ogen'
naar Jezus gekeken. En doordat we luisterden naar elkaars verhalen,
hebben we ook met nieuwe ogen naar elkaar gekeken en naar ons eigen
geloofsleven. En ook andere gebieden van ons gemeenschapsleven
hebben we het afgelopen jaar 'als met nieuwe ogen' aangekeken. Onze
manier van wonen, onze gastvrijheid, ons werk, onze engagementen,
ons samen bidden. Overal zijn aanzetten gedaan tot een nieuw begin.
Annet zal dat straks onder de nieuwjaarsborrel ook memoreren.
Maar al deze aanzetten tot een nieuw begin kunnen alleen iets
worden, als wij ons ook steeds weer opnieuw toekeren naar Jezus,
steeds weer onze relatie met God hernieuwen én onze relatie met
elkaar. Daarom breken wij straks samen het brood. Om ons te
herinneren dat we vandaag nog kunnen beginnen met ruimte maken in
ons leven voor het Woord, het Licht, dat alleen door óns mens kan
worden.
|